Categorie archief: De Standaard

Literaire wereld uit bezorgdheid over gebrek aan privacy

Alles helpt, tenzij we onverschillig worden.
En wie onverschillig wordt, heeft niets meer te vertellen, laat staan te schrijven.

Roel Verschueren, 10/12/13

Writers Against Mass Surveillance
De grootschalige spionagepraktijken die Edward Snowden aan het licht bracht, hebben een en ander in beweging gezet. Op initiatief van de Duitse schrijvers Juli Zeh, Eva Menasse, Ilija Trojanow en nog drie andere, uiten 562 auteurs wereldwijd hun bezorgdheid over wat er nog overblijft van onze privacy.

In een opiniestuk dat vandaag verschijnt in kranten als The Guardian, Le Monde, Frankfurter Allgemeine Zeitung, El Pais, De Volkskrant en De Standaard uiten meer dan 500 auteurs wereldwijd hun bezorgdheid over wat er nog overblijft van onze privacy.

De initiatiefnemers eisen onder meer dat iedereen het recht krijgt om te beslissen in welke mate hun persoonlijke gegevens mogen worden verzameld, bewaard en verwerkt, en door wie dat mag gebeuren, samen met het recht om illegaal verzamelde en bewaarde gegevens te laten vernietigen.

De Verenigde Naties zouden volgens de ondertekenaars het centrale belang van de burgerrechten in het digitale tijdperk moeten erkennen en vastleggen in een internationaal verdrag.

Bij de ondertekenaars zijn grote namen als Orhan Pamuk, J.M. Coetzee, Elfriede Jelinek, Günter Grass, Tomas Tranströmer, Umberto Eco, Mona Eltahawy, Daniel Cohn-Bendit, Roddy Doyle, Amos Oz, David Grossman, Paolo Giordano, Chika Unigwe, Jostein Gaarder, Antije Krog, Henning Mankell, Julian Barnes, Ian McEwan, Irvine Welsh, Jennifer Egan, Dave Eggers, George Packer en Tariq Ali.

Uit België ondertekenden onder meer deze auteurs de oproep: Saskia De Coster, Luuk Gruwez, Bart Moeyaert, Elvis Peeters, Walter Van den Broeck, Miriam Van hee, David van Reybroeck, Annelies Verbeke, Roel Verschueren, Rik Torfs, Paul Verhaeghe en Joke van Leeuwen. Ook Abdelkader Benali, Ian Buruma, Arnon Grünberg, Geert Mak en Renate Dorrestein onderschreven het opiniestuk.

Op de middag van 10 december, de eerste dag, werden 5000 handtekeningen verzameld. Om 19:00 uur waren het er al 26.000

Op 11 december werd om 19:00 uur de kaap van 90.000 handtekeningen bereikt en de doelstellingen naar 150.000 bijgesteld

De petitie ondertekenen kan via:

Nederlands: change.org/spionage

Engels: change.org/surveillance

Deutsch: change.org/petitie

Français: change.org/pétition

Bekijk de volledige lijst met alle ondertekenaars

Lees ook: Der Standard, FAZ, The Guardian, De Volkskrant, Huffington Post

Nick Cave sluit zich aan bij het initiatief “Fight against Digital Surveillance

500 écrivains contre la surveillance numérique

Günter Grass, Margaret Atwood and Martin Amis join 562 of the world’s leading authors to demand ‘digital bill of rights’

Reacties staat uit voor Literaire wereld uit bezorgdheid over gebrek aan privacy

Opgeslagen onder De Standaard, Opinie

Linda, of de lijdensweg na seksueel misbruik in de Kerk

De Standaard – opinie – 8 oktober 2012

Werk van de arbitragecommissie blijkt maat voor niets.

Arbitrage seksueel misbruik

Slachtoffers die dachten dat ze, na al het parlementaire werk rond seksueel misbruik in de Kerk, in de nieuw opgerichte arbitragecommissie soelaas zouden vinden, komen van een kale reis thuis: wie financiële compensatie verlangt moet voortaan wel zijn mond houden. ROEL VERSCHUEREN trekt aan de alarmbel.

Wat voorafging

Als gevolg van het rapport van de parlementaire commissie seksueel misbruik binnen de Kerk werd het Centrum voor arbitrage inzake seksueel misbruik opgericht. Dit Centrum is bedoeld voor slachtoffers van seksueel misbruik binnen de Kerk waarvan de feiten verjaard zijn en probeert snel tot een overeenkomst komen. Bemiddeling heet dat. De Kerk stuurt vertegenwoordigers van de stichting Dignity als bemiddelaars. Voorts zetelen in die arbitragecommissie nog drie bemiddelaars die oordelen over het lot en de erkenning en compensatie van de slachtoffers.

Linda

Linda was in januari 2012 een van de eersten die haar verhaal aan die arbitragecommissie kenbaar maakte. Over erkenning en compensatie werd gedebatteerd op 26 september. Aanwezig waren: voor Dignity, de secretaris van de bisschoppenconferentie kanunnik Herman Cosijns en de directeur van de stichting Dignity, de heer Vervliet. Verder een criminoloog, een magistraat en een vrouwelijke kinderarts van het UZ Leuven.

Linda kreeg na het gesprek een dading voorgelegd. Zij kon zich in alle punten vinden, behalve twee paragrafen:

‘De aanvrager aanvaardt deze financiële compensatie en ziet af van elk beroep van welke aard ook, zowel juridisch als niet juridisch, tegen de pleger van de daden vermeld door de aanvrager in zijn aanvraag (…), tegen elke betrokken instantie van de Katholieke Kerk (bisschop, bisdom, religieuze congregatie, overste van de religieuze congregatie) evenals tegen de stichting Dignity.’

‘De partijen verbinden zich ertoe, op straffe daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk te kunnen gesteld worden, geen andere gegevens bekend te maken dan deze die zijn opgenomen in deze overeenkomst. In het bijzonder verbinden zij zich ertoe, noch de identiteit van de dader, noch de datum, de plaats en de details van de feiten van het misbruik op enige wijze mede te delen. Deze verbintenis van vertrouwelijkheid geldt eveneens voor de lasthebbers en medewerkers van de partijen. De partijen maken zich sterk dat deze personen de verbintenis tot vertrouwelijkheid zullen respecteren.’

Wat ze las was: ‘Vanaf vandaag ben je monddood.’ Ze mocht met niemand nog spreken over wat met haar gebeurd was. Niet met ‘lasthebbers’ (advocaten) bijvoorbeeld, niet met ‘medewerkers’ (bijvoorbeeld leden van de Werkgroep mensenrechten in de Kerk).

Linda wou dit niet aanvaarden en maakte er een punt van tijdens het gesprek.

Vooral omdat ze ook afstand moest doen van haar klacht die ze had ingediend via de burgerlijke groepsprocedure tegen de kerkelijke oversten wegens schuldig verzuim en omdat zelfs de kans bestaat dat haar dossier bij het gerecht (operatie Kelk) zou uitgesloten kunnen worden van verdere procedure.

Deze clausules gaan in tegen de parlementaire wetgevende stukken omtrent de oprichting van de arbitragecommissie die uitdrukkelijk bepalen: ‘De commissie is van oordeel dat geen schadevergoeding aan de slachtoffers mag worden geweigerd omwille van het feit dat een procedure hangende is waarin een vordering is ingediend op basis van schuldig verzuim.’

Linda toonde zich bereid te ondertekenen op voorwaarde dat de tegenpartij haar de garantie kon geven dat alle lofbetuigingen over haar dader van het internet en uit de archieven zouden verdwijnen. De vertegenwoordiger van Dignity zei dat zoiets onmogelijk was. De andere leden van de verzoeningscommissie wezen hem terecht en verplichtten hem dit voor Linda te bewerkstelligen.

Inmiddels heeft Linda het document ondertekend. Ze wou afsluiten. Ze was het hele gedoe beu. Het arbitragegesprek was achter de rug, ze kreeg een financiële compensatie. Ze wou niets meer met de vertegenwoordigers van haar dader te maken hebben. Ze wou door met haar leven, met vriendinnen koffie drinken, met haar kinderen wandelen, haar man verwennen, een boek lezen, naar de film gaan met vrienden. Ook wie nooit slachtoffer was kan dit begrijpen. En dus werd Linda nog maar eens door de Kerk en voor altijd ‘monddood’ gemaakt. Voor 7.000 euro.

Erkenning, tegemoetkoming, verzoening

Linda vindt dat ze van de drie leden van de arbitragecommissie die niet de bisschoppen vertegenwoordigden erkenning heeft gekregen. Ze werd door hen respectvol behandeld en kreeg het gevoel dat zij naar haar luisterden en haar begrepen. Kanunnik Cosijns keek naar de grond toen Linda hem vroeg of hij besefte wat kindermisbruik was. Dat ze ‘verkeerd gebruikt’ is voor de seksuele behoeftes van haar priester-dader. Toen ze hem vertelde hoe haar jeugdjaren eruitzagen leek hij eindelijk beschaamd: gemiddeld drie keer per week verkracht, met woord en daad afgedreigd dat ze moest zwijgen, dat ze streng opgevoed was thuis, schrik had omdat ze zich vies en vuil voelde en daarom veel at, zodat ze dik werd en geïsoleerd raakte. Haar leven was: verkracht worden, voor school werken en in haar kamer zitten.

De Kerk en de bisschoppen hebben zich ertoe verbonden recht te zetten wat in het verleden door seksueel misbruik door priesters fout is gelopen. Het parlement heeft gedaan gekregen dat de bisschoppen in de arbitragecommissie zijn gestapt om slachtoffers voor wie de feiten verjaard zijn te horen, te erkennen en te compenseren. Leden van de parlementaire commissie werden over de situatie op de hoogte gebracht. Waarom heeft de opvolgingscommissie deze ‘dading’ niet zelf geanalyseerd en de arbitragecommissie op de vingers getikt? Deze praktijken moeten stoppen, de ‘dading’ moet worden aangepast en al gesloten dadingen (zoals die van Linda) moeten worden herbekeken, want de arbitrage is niet verlopen naar de letter én de geest zoals het parlement het heeft bedoeld.

Het moet voor elk slachtoffer duidelijk zijn dat tijdens de gesprekken met de vijf vertegenwoordigers van de arbitragecommissie niets mag ondertekend worden, dat bijstand door een advocaat noodzakelijk is. De arbitragecommissie heeft dat aan zichzelf te danken. En aan Linda, die wil dat niemand nog de fout maakt die zij uit wanhoop heeft gemaakt.

En de bisschoppen?

Door de invloed van de bisschoppen, via Dignity, moeten slachtoffers onrechtmatig afstand doen van hun rechten. Door een eenvoudige handtekening van het slachtoffer worden alle oversten die binnen de Kerk van het misbruik op de hoogte waren en die daders geen halt hebben toegeroepen vrijgepleit en kunnen ze niet meer worden vervolgd. Dit alles staat in een document dat clausules bevat die door de parlementaire commissie seksueel misbruik uitdrukkelijk en schriftelijk anders waren bedoeld.

De kans bestaat dat de tegenpartij die de clausules heeft ingebouwd nu uitvoerig probeert uit te leggen wat een ‘dading’ is. Slachtoffers weten wat een dading is.

Een dading heeft vier samenstellende elementen. Het is een contract (1) dat een reeds ontstane of toekomstige betwisting veronderstelt (2), waaraan partijen een einde willen stellen (3), door middel van wederzijdse toegevingen (4).

Wat de tegenpartij dan ook moet vertellen is dat deze dading een onderscheid moet maken tussen enerzijds de (verjaarde) misdrijven van seksueel misbruik, anderzijds de beleidsfouten van het instituut Kerk, meer bepaald hoe de Kerk en haar leiders achteraf op de hulpkreet van slachtoffers niet of afwijzend, met ontkenning en schuldverschuiving hebben gereageerd. Zo zijn de klachten van de slachtoffers zonder gevolgen gebleven. De clausules in de dading gaan dus niet over dezelfde feiten en horen niet in dit document. Slachtoffers ondertekenen dus best niets, tot ze advies hebben ingewonnen bij hun advocaat, de Werkgroep mensenrechten in de Kerk of een andere erkende organisatie.

Het uitgangspunt is nog altijd dat elk slachtoffer een eigen weg moet kunnen bepalen om tot erkenning, compensatie en verzoening te komen. Dat ondertussen de eerste slachtoffers die zich tot de arbitragecommissie hebben gewend en tientallen slachtoffers die rechtstreeks met de meldpunten van de bisschoppen onderhandelen onbewust een soortgelijk document ondertekenden, blijkt niemand binnen het parlement, de bisschoppenconferentie of de samenleving te storen.

Misschien vindt iemand die de politieke verantwoordelijkheid nam om voor de oprichting van die arbitragecommissie in te staan de tijd om hier snel werk van te maken, liefst nog voor de verkiezingen? Want elke dag die verloren gaat, gaat ten koste van menig slachtoffer.

(Op dit opiniestuk reageerden 63 lezers)

Reacties staat uit voor Linda, of de lijdensweg na seksueel misbruik in de Kerk

Opgeslagen onder De Standaard

Paus in de lift

Verschenen in De Standaard, 7 juni 2010

Het was een drukke dag geweest en ik wou zo snel mogelijk naar mijn kamer. Een late namiddag in Rome, op het nippertje nog een hotel gevonden niet al te ver van het Sint-Pietersplein, iemand die deze dagen – voor welke reden dan ook – in de buurt van het Vaticaan wil rondhangen, stelt vast dat in Italië de toeristische sector nog geen crisis kent. Ik wist dat het kamertje van vier op vier haar prijs niet waard was, maar wat doet een mens al niet voor een artikel.

Toen de enge lift tussen twee verdiepingen met een knerpende ruk bleef stilstaan, hoorde ik de man die achter me stond “Scheiße” zeggen. Ik keek vluchtig om, maar zocht snel de alarmknop en drukte. Er klonk één hol belsignaal, precies zoals ik me dat herinner van tram 7 die me in Gent naar school bracht en zijn halte verliet. Eén bel, ergens onder ons, hopelijk dicht genoeg bij de dikke man achter de kleine receptiedesk die daarnet nog ongestoord zijn krant zat te lezen.

Ik keek om en zag iemand die me in dit verre Rome niet als onbekend voorkwam. Die witte haren, de hese hoge “Scheiße”, zijn ouderdom, “Herr Ratzinger?” vroeg ik op goed geluk. Nou ja, geluk, ik zat nu niet bepaald op de Paus te wachten deze dagen, ik had de hele dag een lang gesprek met iemand die niet zo op hem gesteld was en dat laat natuurlijk ook sporen na.

Toen iemand van beneden iets naar boven schreeuwde, lachte de man kort en zei in het Duits: “Hij stuurt een technieker, maar er is veel verkeer. Ik hoop dat u geen dringende afspraak hebt?” Die had ik wel, met een dunne straal lichtbruin water uit de kleine douchekop en met het harde matras met groezelig dekbed.

“Roel,” zei ik en stak mijn hand naar hem uit. “Joseph,” zei hij en schudde wat oesterig en te lang. Toen ik hem vroeg of hij een dubbelganger was, mompelde hij dat een Paus niet mag liegen. Hij tekende met zijn duim een kruisje op de vier houten wanden van de liftkooi. “Biechtgeheim,” zei hij, “ik ben op weg naar mijn vrouw op kamer 31. Die is voor kort uit Duitsland overgevlogen om even bij te praten, en omdat Ursula nogal een grote mond opzet en het Vaticaan grote oren heeft…”

“Biechtgeheim heeft voor mij geen betekenis,” zei ik. “Trotzdem,” antwoordde hij op zoek naar een barst, een teken van vertrouwen, of wat daarvoor moest doorgaan. Ik moest kort leunen, scherpte mijn blik en pijnigde mijn hersenen… ik werd hier bijna zeker in de maling genomen.

“Uw vrouw?” vroeg ik. “Ja, ze stond vandaag op het Sint-Pietersplein, ik zag haar in het nieuws tussen alle andere vrouwen van priesters die opkwamen voor hun rechten. Ik had nochtans gevraagd dat niet te doen, maar wie ben ik?” Hij trok zijn neus op en vroeg: “En wat brengt u naar Rome? Uw geloof of uw niet geloven? Stoort het als ik even ga zitten?”

Hij klapte een stoeltje van de andere wand van de lift naar omlaag en liet zich zakken zoals alleen een oude, oververmoeide man dat kan, met een zware zucht na het neerkomen. “In zwart kostuum, zo zonder ornaat, zou u om het even wie kunnen zijn, ware het niet dat u zich de jongste maanden nogal in het nieuws hebt gewerkt,” zei ik. Hij keek me waterachtig aan en knikte. “Ik mis de schaduw,” zei hij zacht, “de lommerte van mijn studeerkamer en mijn boeken. Hoe veel kan een oude geestelijke zoals ik nog aan. Oostenrijker?” vroeg hij.

“Vlaming in Wenen,” antwoordde ik en liet me op de bodem van de lift zakken. Ik stond snel weer recht, ik wou niet moeten opkijken, daarvoor ontbrak me het respect. Toen ik na een korte stilte nogmaals op de gele knop drukte begon hij te lachen. “Maakt geen verschil, alles heeft zijn beloop, daar kan u, ja zelfs ik niets aan veranderen.”

“Het is dit ‘zelfs ik’ dat u gebruikt waarin het hele probleem gebakken zit,” zei ik, “ik hoop dat u dat begrijpt?” Hij dacht even na. “Ik voel wel dat u me niet mag, en daar hebt u waarschijnlijk alle redenen voor, maar kunnen we elkaar niet tutoyeren, de ruimte is te klein voor “u”, straks gaat de zuurstof nog uit aan “u”. Ik schreef in gedachten het woord “Paus” in mijn volgende column met een kleine “p”, die gedachte beviel me wel, ik had het eerder moeten doen. “Ik begrijp de haat, geloof me, ik begrijp de haat die ik op deze vierkante meter samen met jou moet inademen.” De paus had niet op mijn antwoord gewacht, misschien doen pausen dat niet, uit angst dat het antwoord hen niet bevalt.

“U zegt dat u de haat begrijpt,” zei ik, “waarom horen we dat dan niet? Waar blijft die verschrikkelijk luide schreeuw van verontwaardiging, de woede-uitbarsting die tot actie leidt? Waar blijft de nieuwe nederigheid, de hervorming waar de basis van de kerk om smeekt? Waar blijft een geloofwaardige volledige zuivering van het apparaat waar u aan het hoofd van staat? Waar blijft het antwoord op de vragen van de overlevers?”

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, haalde een nicorette uit zijn vestzak en bood er mij een aan. “Ik ken het leed van de slachtoffers waarover je spreekt,” antwoordde hij en slikte wat overvloedig speeksel weg. “Dat kent u niet.” Het tutoyeren lukte me niet. “Het zijn overlevers,” zei ik, “want de slachtofferrol hebt u zichzelf toebedeeld, door te proberen uit te leggen hoe het zover is kunnen komen en daarvoor begrip te vragen, door te spreken over ‘andere tijden’, door te proberen het gewicht van de kerk te minimaliseren en te claimen dat het in gezinnen veel erger is, veel vaker voorkomt, dus dat het in uw kerk nog zo erg niet is. Door geen concrete voorstellen tot compensatie te formuleren, door het onderzoek naar alle gevallen binnen eigen commissies te organiseren, door geen openheid te geven in alle dossiers en daders op een gepaste manier uit de kerk te verwijderen.

“Ik heb met slachtoffers gepraat,” zei hij luider. “Maar hebt u er ook naar geluisterd?” vroeg ik. Hij vroeg of ik dan precies wist wat ze willen? Of ik een duidelijke lijn zag in hoe ze geholpen wilden worden? Ik nam een in vier gevouwen blad uit mijn binnenzak en gaf het hem. Hij nam een bril en begon te lezen. “Excuses van de paus als hoofd van de kerk,” en las stil verder. Dan weer luidop “Excuses van de paus als Vaticaans staatshoofd,” gevolgd door stilte, “Openbaar maken van alle dossiers,” mmm, “Kerkelijk Recht ondergeschikt…”, “Burgerlijke meldpunten onder de controle van het gerecht….”, hij las zo’n vijf minuten in stilte verder. Hij vouwde het blad zorgvuldig langs de vouwlijnen dicht en stak het in zijn binnenzak zonder te vragen. Hij vroeg zich af waarom hem niemand ooit zo’n lijst gegeven heeft. “Wanneer heeft u er dan ooit naar gevraagd?” vroeg ik.

“En aan hoeveel klachten zitten jullie ondertussen in België?” vroeg hij en stak zijn bril weg. “Volgens mijn gegevens uit alle meldpunten, ook die buiten de Commissie, aan 951,” zei ik.

“Hoe tel je?” vroeg hij.

“Correct,” zei ik. Hij keek lang in mijn ogen en boog uiteindelijk het hoofd.

De lift schoot kort omhoog. “Elk beetje beweging in deze situatie is welkom,” zei de paus. “Zo is het met alles. Weet je dat Simenon ooit met Hitler in dezelfde Parijse lift zat?” vroeg ik.

“Ik hoop dat je daar niet te veel parallellen uit trekt?”

Ik zei dat ik mezelf nooit op het niveau van Simenon zou durven inschatten, en  hoewel hij begreep wat ik bedoelde, stak hij zijn hand uit en zuchtte: “Ik moet hier eens rustig over nadenken, maar onmogelijk is jouw lijstje niet.” Ik zei dat hij dat beter niet te rustig zou doen. Dat al te veel tijd is verlopen en de situatie er niet beter op wordt.

“Na het WM,” zei hij, “na het WM, ik krijg eerder niet al mijn mensen bijeen, ik moet hen ook wat rust gunnen. Kom je op 1 oktober ook betogen op het Sint-Pietersplein?” Ik zei dat ik zeker in de buurt zou zijn. “Goed, dan zien we elkaar hopelijk nog eens.”

Toen eindelijk de liftdeuren opengingen stapte hij diep voorovergebogen de gang in. Aan deur 31 draaide hij zich kort om. Hij haalde het papier uit zijn binnenzak en stak het als afscheid in de lucht. “Wanneer verschijnt het?” riep hij.

“Hopelijk voor het WM!”

Ik liet zijn biechtstoel voor wat hij was en nam de trap naar mijn verdieping. Te veel lift in Rome is voor niemand goed!

P.S. Op 11 juni 2010 (vier dagen na het verschijnen van deze column) vroeg de paus in naam van de kerk vergiffenis voor het pedofilieschandaal tijdens een eucharistieviering in aanwezigheid van 15.000 priesters op het Sint-Pietersplein in Rome.

P.P.S. Op 28 februari 2013 trad deze paus af. In de hoop hem snel te vergeten.

Reacties staat uit voor Paus in de lift

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

Facebook versus de Kerk

“Ontvrienden” of “ontdopen”. Oostenrijk – België: 1 – 0

Begin april 2010 beslissen een vriend redacteur van een Oostenrijks weekblad en ik tot een experiment. Tijdens een lang gesprek lanceer ik de vraag: “Wat denk je is makkelijker: je profiel verwijderen van Facebook of je laten uitschrijven uit de kerk?”

Omdat je over een dergelijk onderwerp geen weddenschap afsluit, besluiten we de test te doen ten gunste van onze lezers. En hoewel het verhaal ook moeilijk als wetenschappelijk experiment kan bestempeld worden met een steekproef van twee, leggen we toch een aantal regels vast. We bezitten nog geen Facebook profiel, dus we zouden dat elk voor onszelf op dezelfde dag en hetzelfde uur aanmaken. Nog een regel is, dat we elk minstens 100 vrienden moeten hebben vooraleer ons profiel bij Facebook zou worden afgesloten, we zouden op elkaar wachten tot het zo ver was. Laatste regel: de dag waarop we gelijktijdig ons profiel zouden proberen te verwijderen moest dezelfde dag zijn waarop ons verzoek tot kerkelijke uittreding op de post zou gaan, met een foutmarge van twee dagen. Ik moest immers mijn brief aan het bisdom Gent aangetekend vanuit Wenen versturen, dus ook de bevestiging van schrapping mocht twee dagen langer uitblijven dan bij hem.
Op 6 april staan beide profielen op de server van het sociale netwerk.

Sociale netwerken kennen we vooral sinds het ontstaan van Facebook, Linkedin, Netlog, Hyves, MySpace, Twitter, Skyrock, HI5, Orkut enz. Maar het fenomeen bestaat uiteraard al eeuwen. Binnen de ruimere definitie, dus buiten het internet, kan men rustig stellen dat de kerk aan de basis ligt van een eigen sociaal netwerk, zij het dan een religieus-sociaal netwerk.
Mensen kunnen kiezen of ze hun geloof dan wel eerder voor zichzelf belijden of de beleving ervan beperken tot de intimiteit van het gezin, de meeste christelijke gelovigen voelen echter de nood tot verzamelen, samen beleven, behoren tot een groep gelijkgezinden, en hoewel de laatste tijd steeds minder, voornamelijk binnen een parochie, binnen de kerk. Toetreden tot het sociaal netwerk is binnen de kerk even makkelijk als bij Facebook. Inschrijven, wat gegevens doorgeven (dopen), en af en toe actief zijn (communie of huwelijk), profiel af en toe aanpassen en met andere mensen communiceren, kortom bijdragen tot de gemeenschap. De paus Mark Zuckerberg bepaalt de algemene regels van Facebook, de priester in de kerk de christelijke moraal in opdracht van de Romeinse Curie en in lijn met Benedictus XVI, de bijbel en het kerkelijk recht.

100 vrienden

Op 21 april hadden we beiden de kaap van de honderd vrienden bereikt, dus we klikten op “mijn account verwijderen”, vervolgens op “versturen”, wachtwoord ingevuld en als we gedurende twee weken niet meer zouden inloggen wordt het account definitief verwijderd. We zochten nog voor de zekerheid naar een website van Vlaamse en Oostenrijkse kerk of dergelijke procedure ondertussen ook daar werd ingesteld, uiteraard een vrome wens. Dus naar het postkantoor, ik met mijn prior aangetekende brief, hij met zijn gewone brief.

Ik heb me twintig jaar geleden uitgeschreven uit de kerk in België. Ik deed dat nogal naïef met een gewone brief aan het bisdom, die waarschijnlijk, zoals ze dat zo mooi zeggen ‘verloren’ moet gegaan zijn. Ik kreeg nooit bevestiging van ontvangst, ook nooit bevestiging van uitschrijving. Uitschrijven is trouwens een nogal eufemistisch en veelbelovend woord voor wat in de realiteit gebeurt. Je kan dat bolletje of kruisje dat naast je naam staat in het doopregister moeilijk een blijk van tegemoetkoming noemen, laat staan dat het als een “ontdoping” kan worden beschouwd. Ik kan me “ontvrienden” bij Facebook, niet in de kerk.

Bisdom Wenen

Op 4 mei ontving mijn vriend een brief van zijn bisdom in Wenen, met daarin een spijtbetuiging wegens zijn beslissing, maar dat ze die respecteren, en dat hij officieel geschrapt werd in de registers. Het onmiddellijk gevolg hiervan is voor de Oostenrijkse kerk het verlies van een kerkbijdrage, ze noemen het een “kerkbelasting”. De kerk wordt in Oostenrijk gefinancierd door haar gelovigen. Tijdens de eerste vier maanden van dit jaar verloor de Oostenrijkse kerk meer dan 65.000 leden, goed voor zo’n slordige acht miljoen Euro minder inkomsten. Besparing is aangezegd.
We vinden dit eigenlijk met zijn allen nogal logisch, dat het in België echter niet zo loopt blijkt weinig burgers te storen. In België cofinancieren een paar miljoen niet-gelovige burgers via hun belastingen het hele kerkelijk systeem. Voor onderhoud van gebouwen, over wedden van priesters en pastoors, de pracht en praal van ceremonies en paleizen, tot en met het pensioen (hoewel verminderd) van foute bisschoppen in ballingschap. En niemand die in België begrijpt dat dit systeem er onrechtstreeks toe bijdraagt dat de kerk (ook) daardoor over een financiële macht beschikt die aan tij en ontij ontsnapt, wat er ook gebeurt. En zij die proberen duidelijk te maken dat de scheiding van kerk en staat niet met zoveel woorden in onze grondwet staat, moeten toegeven dat toch minstens de scheiding tussen kerk en politiek aan de orde moet zijn. Behalve als in het instituut kerk onkuise dingen gebeuren die ook in het burgerlijk wetboek zijn verboden. Dat geboden niet boven de wet staan impliceert dat die mensen die ons jarenlang met die geboden om de oren hebben geslagen, evenmin boven de wet mogen staan.

Bisdom Gent

Ik heb vandaag (25 mei) van het bisdom Gent nog niets gehoord. Noch bevestiging van mijn brief, nog bevestiging van mijn officiële uittreding uit de kerk.
Onze profielen op Facebook waren binnen de 10 dagen verwijderd. Mijn vriend is officieel uit de Oostenrijkse kerk getreden, mijn aangetekende brief is waarschijnlijk ergens verloren gegaan.
In uiterste nood mag iedereen dopen, hebben we geleerd. In uiterste nood mag dan ook iedereen “ontdopen”, vindt mijn vriend. Welk ritueel daarvoor ook gebruikt wordt, we vinden er samen wel een dat ons past.

Reacties staat uit voor Facebook versus de Kerk

Opgeslagen onder De Standaard

“Torfsen”: overgangk. werkw.; torfste, h. getorfst

Verklaring: de via de media opgebouwde zelfopenbaring inzetten voor een politiek doel

Antoniem: onttorfsen

Etymologische oorsprong: terug te leiden naar een professor kerkelijk recht aan de Katholieke Universiteit Leuven in de vroege jaren van de 21ste eeuw, die zich afvroeg wie anders de wereld zou redden.

Dat we gaan stemmen op 13 juni heeft ondertussen ook de Oostenrijkse pers met de nodige ironie becommentarieerd, ze begrijpen ons land hoe dan ook niet meer. Ze hadden zich dan de moeite getroost om de Oostenrijkers in geuren en kleuren uit te leggen hoe het BHV-probleem in mekaar steekt, ook die moeite lijkt nu tevergeefs. Vooral de hardnekkige vraag primeert, hoe een land als het onze ooit met enige politieke geloofwaardigheid het Europese Voorzitterschap kan waarnemen twee weken na de nieuwe verkiezingen. Hoe wordt ondertussen dat vacuüm ingevuld?

“Gewoon,” zegt een Weense vriend redacteur bij een Oostenrijkse krant, “zoals het in België altijd gaat: ook zonder regering lijkt alles normaal door te lopen, dus geen angst, België en de Belgen redden zich wel, ook dit keer.”

De afstand tot mijn geboorteland is te groot, de lokale interesse te klein, om mijn gastland uit te leggen hoe de nieuwe politieke kopstukken opduiken bij de samenstelling van de lijsten. Hoe oudgedienden zich terugtrekken omdat ze zich door hun eigen partij op een zijspoor gezet voelen. De Torfsen, Bracke’s en andere professoren of leden van de Vlaamse intelligentsia die zich plots geroepen voelen om “een nieuwe dialoog op gang te brengen”, de “moeilijkste beslissing uit hun leven nemen”, of “voor nieuw bloed” willen zorgen, halen buiten onze grenzen het nieuws niet. Randverschijnselen hebben zo hun beperkte impact. Zij het kerkgebonden professoren, Loge-gebonden journalisten, NGO-gebonden professoren, zonen van ex-ministers, in de Belgische politiek heerst nu eenmaal amper eb en vloed, kabbelend water maakt geen golven.

Dat de splitsing tussen kerk en staat in België stilaan als een constitutionele grap te begrijpen is, is zelfs hier in Oostenrijk wel bekend. Ze zijn hier met name in hetzelfde bedje ziek.

Rik Torfs weert zich in zijn wijwatervat met – nu al – herkenbare clichés, zijn eigen clichés trouwens, waardoor alles wat hij na zijn eerste ‘coming out’, braaf gezeten naast zijn schoolvriendinnetje en voorzitster van de partij, nog te vertellen had ontaardt in pure herhaling. En het verhaaltje is dun, de herhaling brengt niets nieuws. Zijn tekst is geschreven, zijn houding is bepaald, zijn tweede plaats op de lijst verzekerd, zijn broodje gebakken, zijn rijkelijk pensioen gegarandeerd, zelfs de zakkerigheid die hij in de pluche zetels van de Senaat meebrengt, hangt nu al als een gouden kroontje rond zijn hoofd. Zijn aura glanst niet meer, het wordt gewoon meer van hetzelfde: een korte verondersteld grappige zin, en half verdraaide leugen (“nee, ik ben op dit moment niet in gesprek met de partij”), een tussendoorse aanbeveling voor zijn nieuwe boek, de zaken lopen goed.

Er schuilt een bepaalde naïviteit in de veronderstelling dat iemand zo maar van universitaire autoriteit naar politieke autoriteit kan overstappen. Dat zijn bijdrage aan de maatschappelijke discussie die hem als professor nog een respectabele geloofwaardigheid gaf, als verworven mee overstapt in het lome politieke halfrond tot wat de Senaat sinds lang verworden is.

Rik Torfs’ erudiete geloofwaardigheid was tot voor kort gebaseerd op de wetenschap dat de man aan een zijlijn stond die hij zelf getrokken heeft: dicht genoeg bij het onderwerp kerk om als professor te kunnen functioneren, ver genoeg weg van het onderwerp politiek om een nog net aanvaardbare zelfbepaalde ‘neutraliteit’ te kunnen claimen in woord en tekst. Van iemand die van de veilige zijlijn op het voetbalveld springt om te kunnen meespelen, is verondersteld dat hij een voetballer is. Iemand die zich daaraan waagt in de overtuiging dat hij echt kan spelen, laat zich niet opstellen in een uitgespeelde ploeg zoals de Senaat, die gaat dan open en bloot in de actieve politiek waar het af en toe warm wordt, waar niet alleen stelling wordt genomen of dialoog op gang gebracht, maar ook geprobeerd wordt te beslissen. Lukt vaak niet, compromissen vormen is een moeilijke stiel, zeker in een land als Belgiê. Maar men moet zich nat maken, doorzetten, midden in het politieke bad springen, zelfs als men weet dat af en toe iemand verdrinkt.

De stap van de zijlijn naar het veld vereist een metamorfose. Zoals de nimf Daphne die in een laurierboom veranderde, Actacon die een hert werd na het zien van de naakte godin Diana. Een professor kerkelijk recht blijft een professor kerkelijk recht, van metamorfose kan hier geen sprake zijn, zeker niet als we de vele repetitieve interviews beluisteren en lezen die zijn stap vergezellen. De rups heeft zich niet ontpopt tot een frisse vlinder, en zal dat ook niet doen. Daarvoor is de Senaat trouwens de verkeerde waardplant voor Rik Torfs.

Reacties staat uit voor “Torfsen”: overgangk. werkw.; torfste, h. getorfst

Opgeslagen onder De Standaard

Als Rik Torfs de passie preekt…

Ik hou van Rik Torfs. Ik heb het hier al vaker over hem gehad, in de zijlijn dan, want als hoofdonderwerp zorgt hij genoegzaam voor zichzelf. Elke week, in deze krant.

De heer Torfs heeft beslist niet meer mee te spelen in de slimste mens en dat siert hem. Het werd wat pijnlijk op de duur, spontane invallen kleven bij hem beter op papier dan in de ether. Hij heeft ook beslist niet in de politiek te gaan, dat siert hem nog meer, want hoeveel Heren kan men dienen zonder (geloof)-waardigheid te verliezen.

Nee, geef mij maar de professor columnist. Beheerste gevatheid, overdacht geformuleerde zinnen, af en toe een onderwerp dat boeit, dat is wat zijn roeping is, naast zijn andere natuurlijk.

Ik zat ook al een paar dagen op zijn jongste column te wachten, het is december en bijna kerst, de professor heeft het in deze heilige periode wel vaker over geloof. Context is alles. En de professor wordt – net als ik – een dagje ouder, dat blijkt uit de regelmatige verwijzingen naar vroeger, toen alles beter was, duidelijker en met minder twijfel, toen discussie werd vermeden en alles werd aangenomen omdat een hogere autoriteit het had gezegd. We zijn allemaal gevolg van onze opvoeding, of we daar gelukkig mee zijn of niet. Echte revolte is niet meer van deze tijd, gelukkig kunnen hij en ik er over schrijven, er moet geen bloed meer vloeien, onze inkt volstaat.

Maar de professor wordt naar het jaareinde wat moe. De pen schiet soms eens wat verder uit, de opgebouwde redenering wil niet sluiten, dan klinkt zelfs een professor wat meer simplistisch dan normaal. We nemen het hem niet kwalijk, schrijven is harde arbeid, inspiratie schaars en volgehouden gevatheid een vak.

Voor wie zijn jongste column voor Kerst nog niet gelezen heeft: warm aanbevolen. Het is een les in nostalgie, een zorgvuldig verstopt verdriet over de teloorgang van het Godsgeloof en een reductie van het spanningsveld tot een simpele indeling in geloven en niet geloven, herleid tot denken en niet meer denken. Voorzichtig als hij is omsluiert hij zijn verdriet met de nodige zalving, de professor wil niemand kwetsen, er zijn ook goede mensen die niet geloven. En omdat hij wat moe wordt gaat hij niet in op ontvoogding, emancipatie van gedachten en zelfstandige mensen die voor zichzelf willen denken, hij heeft het niet over geloven buiten het kader van zijn kerk, zonder dogma’s en de “onuitroeibare christelijke zakkerigheid”. Mooi woord, ‘zakkerigheid’ en toepasselijk ook. Hij gaat niet in op de oneindige lijst van eigenlijke en feitelijke redenen van het geloofsverlies, op ontgoocheling in de kerk, op de twijfelachtige reputatie van sommige van Gods dienaars, op de dagelijks waarneembare intolerantie die de gelovigen uit Gods kerk verdrijft. Hij vermijdt te schrijven dat ongelovigen zo worden genoemd omdat er gelovigen zijn. Wie heeft het woord uitgevonden?

Nee, hij maakt het zich iets gemakkelijker.

Hij vergelijkt het verlies van geloof met het verlies van de liefde, ik begrijp het beeld wel, niet de intellectuele oneerlijkheid die er achter schuil gaat. Hij groepeert alle ongelovigen veilig geschaard achter de maatschappelijke mainstream van niet denkende burgers alsof ze met hun niet geloven een gemakzuchtige oplossing hebben gezocht, ergens willen bij horen zolang het maar niet tot het katholicisme is.

De vrije mens heeft ondertussen begrepen dat geloven niet langer een plicht is maar een recht. Iets wat niet geloven altijd al geweest is.

Reacties staat uit voor Als Rik Torfs de passie preekt…

Opgeslagen onder De Standaard

Onbarmhartige Samaritanen…

Ik vind de vergelijking onmenselijk cynisch en denigrerend, vooral als die komt van iemand die de situatie misbruikt. Hij noemt het een vorm van straatprostitutie, maar dan (bijna) uitsluitend door mannen bedreven.

Het zijn hoofdzakelijk Polen, Serviërs en Roemenen die van ’s morgens vroeg bij minder dan 3° Celsius verkleumd rond de bouwmarkten hangen, in de hoop letterlijk te worden opgepikt door een klant. Vijf euro per uur verdienen ze, af en toe, niet elke dag is een goede dag. Het zijn huisvaders die hun gezinnen achterlieten in hun dorpen, in de stille hoop in de ‘grote stad’ die Wenen is, in het ‘welvarende land’ dat Oostenrijk is in twee weken de 500 euro zwart te verdienen waar de familie thuis twee maanden kan mee overleven. Zwart, omdat de arbeidsvergunning ontbreekt.

Dat de Polen al heel vroeg in de morgen schnaps drinken om de kou te verdrijven stoort de Roemenen niet. Die spelen een of ander bordspel om de tijd te doden, de verveling en de kou te bekampen tot een klein busje stopt. Dan draait de bestuurder het raam rechts open, steekt eerst drie vingers in de lucht, werk voor drie mannen, dan vijf voor vijf uren werk, en dan nog eens vijf, vijf euro per uur. ‘Metsers’ roept hij.

Wie het eerst in het busje springt heeft de job. Ze rijden weg zonder te praten, zonder te weten waarheen. Misschien naar een werf in een afgelegen district van waar ze na het werk meer dan een uur moeten terug wandelen om ergens te kunnen overnachten waar niemand weet dat ze er overnachten.

Arbeidsprostitutie. Het zal wel van alle tijden zijn, het zal wel levensnoodzakelijk zijn, voor hun plezier staan deze mannen niet aan de bouwmarkt op straat, vaak dagen of weken zonder werk, wachtend op een busje en een stukje van de koek.

Dat diezelfde welstellende opdrachtgever dan ’s avonds naar huis rijdt, naar de warmte van zijn gezin, en zelf op de zwartwerkers meer heeft verdiend dan de mannen zelf, stoort hem niet. En dat hij aan tafel, met vrienden bij een glas bier oeverloos en schaamteloos zit te klagen over hoe zijn mooie land vervuild wordt door al die illegale migranten, vindt hij ook normaal.

Op kerstavond zit hij uitgedost met zijn gezin in de kerk en koopt zich via het offerblok op de kap van zijn medemens een geweten.

Reacties staat uit voor Onbarmhartige Samaritanen…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays