Tagarchief: Zwijg als je praat

De zwarte spiegel

eerder verschenen in ‘het verhalenarchief’.

 

“Moet ik mijn zoon werkelijk alles vertellen over zijn grootvader, mijn vader, over zijn enthousiasme voor het nationaal-socialistisch regime, over zijn uniform met hakenkruis? Of mag ik daarover zwijgen?”

Voor dit dilemma staat Martin Pollack in zijn bijdrage in “Die Presse” van 10 januari 2009.

Voor dit dilemma staat hij niet alleen. Die vraag stellen zich wel meer vaders, meestal voor zichzelf, dat antwoord kan een ander niet geven.

“Ik weet niet of het aan het ouder worden ligt,” schrijft Pollack, “of aan iets anders, maar ik denk de laatste jaren steeds vaker aan mijn jeugd terug.”

Ook hij denkt terug aan zijn vader die hij te kort heeft gekend, waarover hij vaag weet dat hij voor de Gestapo in Linz heeft gewerkt, in een grote villa die er vandaag nog staat.

In “zwijg als je praat”, verschenen in mei 2008 bij uitgeverij Lemmens, geeft mijn protagonist Victor een antwoord op dit dilemma. Ik ben door hetzelfde denkproces gegaan als Pollack en stelde me net als hij de vraag wat het werkelijk voor me betekent dat de vader die ik ook veel te kort heb gekend, met wie ik even weinig ben gaan wandelen, even zeldzaam gesprekken had, in 1943 naar het Oostfront is vertrokken en later als collaborateur werd veroordeeld.

“Ongetwijfeld heeft het verleden van mijn vader ook mij gevormd, mijn hele leven. Ik weet zeer goed dat ik geen alleenstaande ervaring heb, dat ik niet de uitzondering ben. Vele mensen van mijn generatie worden – de een al vroeger dan de andere – met het feit geconfronteerd dat hun vader of grootvader een dader was, met het wapen in de hand, of ergens aan een bureau met de pen in aanslag. De geliefde vader, het voorbeeld dat we in onze jeugd wilden evenaren om ooit te zijn zoals hij.”

Tijdens mijn opzoekingen ter voorbereiding van mijn roman was ik me ten volle bewust van het feit dat ik niet alleen stond, dat er nog anderen waren in mijn situatie, maar die gedachte heeft me nooit getroost. Ik werkte tenslotte alleen, net als Pollack, met mijn eigen demonen, met mijn kwellende vragen aan de vader die mijn geen antwoord meer kon geven.

“Had ik het gewaagd hem deze vragen te stellen mocht hij nog leven? Zou hij mij geantwoord hebben?” Pollack weet het niet, ik evenmin.

Wat ik weet is dat ik heel lang gezocht heb naar wat ik in mezelf van mijn vader herken. Een lange introspectieve zoektocht naar wat me werkelijk met hem verbindt, of ik denk als hij, zou beslissen zoals hij, of ik zijn bloed heb, met alles wat daar aan consequenties aan vast hangt.

“Een vader kan men niet uitzoeken zoals een stuk kleding, men kan hem verloochenen, de ogen voor de realiteit sluiten. Maar is dat de uitweg uit het dilemma? Ik denk het niet.” En dan formuleert Pollack het zo exact mogelijk als hij kan: “Ik geloof eerder dat men zijn vader precies zo moet bekijken als de geschiedenis, ook als dat een onaangenaam gevoel opwekt of zelfs pijn veroorzaakt. En zelfs dan ben ik me altijd blijven afvragen hoe het mogelijk was, dat uitgerekend mijn eigen vader, die verschrikkelijke en voor mij onbegrijpelijke weg is gewandeld. Waarom hij?”

Lag het aan de tijdsgeest? Ik heb nachtenlang wakker gelegen en mijn hersenen gemarteld over hoe een gemiddeld intelligente, gestudeerde man die net als wij geleerd heeft goed van kwaad te onderscheiden, enerzijds een liefhebbende zoon en vader kan zijn en gelijktijdig een dader, die zonder nadenken een wapen draagt, gebruikt en weer opbergt. Tot het weer morgen wordt en alles opnieuw doorgaat.

In “zwijg als je praat” verhaalt Victor het als volgt:

“Ik kan er niet bij, Lilly.”

“Vertel het me,” zei ze en ze legde haar hoofd in zijn schoot.

“Albert was zesentwintig toen hij vertrok.” 

“Ok. Ik ben zeker dat jij dat uitgerekend hebt.”

“Hoe kan iemand van die leeftijd zo gewillig zijn? Hoe kan je op die leeftijd deel willen uitmaken van een groep, meer nog een ‘troep’, mak in het gelid lopen, blind gehoorzamen? Leven en aanvaarden dat anderen bepalen hoe morgen eruit ziet?”

“Heb je de kazerne gezien? Het station?”

“Ja, en Albert is die kazerne binnengestapt en heeft zich overgeleverd! Ik kom er met mijn verstand niet bij. Hij was een volwassen man en besliste om zijn vrijheid en zelfbeschikking op te geven. Andere mannen van die leeftijd waren getrouwd en hadden twee kinderen in die tijd!”

Pollack stelt dat het niet zinloos is om in de afgrond te kijken die hem vaak als een zwarte spiegel voorkomt. Integendeel, het is een absolute noodzakelijkheid met zijn verleden, zijn totaal privaat verleden, in het reine te komen. Zonder iets mooi te praten, zonder iets te verbergen of wit te wassen.

Tijdens mijn eigen recherche kon ik de familie er niet van overtuigen hoe belangrijk deze zoektocht voor me was. Zwijgen was het motto, de herinnering aan de gekende goede kanten van de vader niet verstoren, niets oprakelen noch uitpluizen, niets dan goeds over de doden. Ik voelde me alleen met mijn verlangen te weten, te begrijpen, die man te leren kennen in die ongelooflijk desastreuze periode uit de geschiedenis.

“Dit had niets met een afrekening met mijn vader te doen,” schrijft Pollack, “maar het was noodzakelijk om mezelf te kunnen begrijpen, wie ik ben, niet in het minst in mijn verhouding tot mijn vader.”

In “zwijg als je praat” stelt de protagonist (die over het zwijgen van zijn moeder praat) het als volgt:

“Lilly, een familie zonder overlevering kan als familie niet overleven. De informatie die zij heeft is toch niet alleen van haar. Ze heeft de verdomde plicht die met ons te delen. Zoals ik de verdomde plicht heb ernaar te luisteren en die op mijn beurt door te geven.”

Vaders laten ons niet los, hoe zeer we dat ook zouden willen, ze houden ons vast omarmd, in een greep die we niet van ons kunnen afschudden. Want onze vaders zijn een onafscheidelijk deel van onszelf, we zijn door een ontelbaar aantal draden met hen verbonden. Deze vaststelling kan heel mooi zijn, maar evenzeer beangstigend en dreigend.

“Moet ik mijn zoon, die 30 is, werkelijk alles vertellen over zijn grootvader, mijn vader, over zijn enthousiasme voor het nationaal-socialistisch regime, over zijn uniform met hakenkruis op de kraag en de doodskop op de kepie…? Of moet ik mijn zoon in het ongewisse laten en hem tegen deze zwarte zijde van ons verleden beschermen?” vraagt Pollack.

Ik heb beslist het mijn zoon en dochter, beiden bijna dertig, te laten lezen.

Daarom is “zwijg als je praat” mijn antwoord op deze vraag en het antwoord is duidelijk: niets mag verzwegen of toegedekt worden, hoe onaangenaam of beschamend, vervelend of pijnlijk ook.

Het is geen veroordeling van de vader, het is een vrijspraak voor de zoon die door te weten verder kan, hoe dan ook verder moet.

Reacties staat uit voor De zwarte spiegel

Opgeslagen onder Essays

23 vragen aan… Roel Verschueren

In 2008 verscheen zijn roman  Zwijg als je praat . We voerden een boeiend gesprek met deze auteur, over zijn fascinatie voor het verleden, zijn schrijversbestaan, de manier waarop hij taboeonderwerpen bespreekt, de reacties die hij krijgt, maar ook over zijn literaire en filmische voorkeuren en zijn toekomstdromen.

‘Het verleden is niet zoals een weggeworpen slangenvel dat uitgedroogd en nutteloos achterblijft. Het is ook geen vlucht. Niet als je het gebruikt om het heden beter te begrijpen’

1. Symboliseert Zwijg als je praat, je debuutroman, voor jou het begin van je schrijverscarrière?

Ik heb in mijn leven altijd al geschreven. Ik was zelfs ooit ghostwriter in mijn vorig leven. Maar mijn eerste roman heeft inderdaad zijn weg gevonden naar Ivo Lemmens. Hij vond het verhaal gewoonweg sterk en goed geschreven, en naar de eersteling kijkt iedereen gespannen uit, de schrijver nog het meest. Zonder eerste boek komt er geen tweede. Zolang je niet uitgegeven bent ben je – zoals zovele anderen – gewoon aan het schrijven. Na je eerste boek noemt iedereen je plots ‘auteur’. Spijtig en hard, maar zo is het.

2. Schrijven is voor jou dus geen hobby, maar een noodzaak…?

Hoewel ik, als ik schrijf, zeer gedisciplineerd ben, voelt het aan alsof elke minuut gestolen tijd is. Ik heb twee jonge kinderen (zes en drie jaar oud) die nogal wat aandacht vragen, een partner met een zeer creatieve maar tijdrovende job. We moeten ons echt goed organiseren om onze creativiteit de ruimte te geven die nodig is. Maar eigenlijk schrijf ik altijd. Als ik er wat afwezig bijloop, of aan een gesprek in een ronde niet deelneem, weet mijn omgeving dat ik aan het schrijven ben. Zonder pen of computer, maar de zinnen vormen zich dan langzaam en voorzichtig in mijn hoofd. Die moeten dan zo snel mogelijk op papier.

3. Waar gaat je roman Zwijg als je praat over?

Het is een bezeten zoektocht van een zoon, naar een blinde vlek in het verleden van zijn vader. Het is een familieroman, waarin generaties in conflict komen over het recht op informatie en de plicht die door te geven. Het gaat over zwijgen, verstoppen, misleiden omdat de vader een foute beslissing heeft genomen. De zoon probeert te achterhalen waarom en ontdekt een heel andere waarheid dan die waarnaar hij op zoek is.

4. Je hebt veel research gedaan bij het schrijven van deze roman. Waardoor ben je daarmee begonnen? Heb je altijd veel interesse in het (oorlogs)verleden gehad?

Het verleden bepaalt in grote mate wie we zijn, waarom we zo geworden zijn, en is voor mij een onmisbare informatiebron om zelf met dit leven in het klare te komen. In tegenstelling tot wat gedacht wordt, is zwijgen ook een vorm van communicatie. Je krijgt geen informatie, maar als je goed naar het zwijgen luistert hoor je soms meer dan wanneer iemand praat. Het is deze vorm van communicatie die me boeide, proberen te achterhalen wat de familieleden over de vader niet zeggen tijdens het langdurig zwijgen. Het schrijven van deze roman werd in grote mate bepaald door het tempo van mijn research. Wanneer ik nieuwe elementen had gevonden, hadden die een invloed op de structuur en vorm van het verhaal. Het eigenlijke plot kwam pas zeer laat in het schrijfproces bovendrijven, hoewel ik vanaf het eerste woord dat op papier stond voldoende vertrouwen had dat het er zou komen. Ik wist alleen nog niet wat het zou zijn.

5. Is het bezig zijn met het verleden in zekere zin een vlucht voor het hier en nu?

‘The past is not a package one can lay away,’ zei Emily Dickinson. Het is niet zoals een weggeworpen slangenvel dat uitgedroogd en nutteloos achterblijft. Het is ook geen vlucht. Niet als je het verleden gebruikt om het heden beter te begrijpen. Het verleden kan een springplank zijn. Om het nu met de nodige kennis bij te sturen waar nodig, eruit te leren, en met inzicht voor zichzelf te bepalen hoeveel je dat verleden je toekomst laat bestemmen. Het verleden is nooit onherroepelijk voorbij, zei Oscar Wilde. En mijn landgenoot Herman Brusselmans zei: ‘Als er iets is dat het verleden je leert is het dit: ga door. Ga door en maak van de toekomst nog meer verleden.’

6. Zwijg als je praat speelt zich af in Oostenrijk. Jij woont in Wenen. Toeval?

Nee. Mijn dochtertje van drie vroeg me wie haar Belgische opa was, en nam geen genoegen met de boodschap dat hij al zeer vroeg was overleden. Ik besefte dat ik op zoek moest gaan om haar ooit, als ze ouder zou zijn, een correct en bevredigend antwoord te kunnen geven.

7. In hoeverre is dit verhaal fictie?

Hoewel de roman fictie is, is de situatie waarin de protagonist Victor zich bevindt nogal gelijklopend met de mijne. Laat ons stellen dat we beiden op zoek waren naar hetzelfde, maar Victor zijn eigen verhaal in het boek kreeg.

8. Welke boodschap zit er in het verhaal?

Recht op overlevering. Recht te weten. Plicht te vertellen. We vertellen niets meer aan elkaar. We lezen, zoeken op via het internet, schrijven korte zinnetjes op Facebook of Twitter. Maar vertellen, de verhalen over vroeger aan de volgende generatie doorgeven is er niet meer bij. Alsof we alles al zouden weten of kunnen opzoeken, en aan verbale overlevering, de ‘vertellingen’ geen boodschap meer zouden hebben.

9. Merk je dat er in Oostenrijk anders over het oorlogsverleden gepraat wordt dan in Nederland? 

Helemaal anders. Het thema kwam tot voor een paar jaren in de geschiedenisboeken niet voor. Er is nu echter geen ontkomen meer aan. Je zit hier in het Alpenland met miljoenen mensen die zich ‘slachtoffer’ voelen van het nationaalsocialisme uit de oorlogsjaren, hoewel ze op twee procent na, allemaal met de annexatie door Hitler hebben ingestemd. Probeer daar maar eens mee te leven. Een collaborateur in België of Nederland beseft ondertussen dat hij een beslissing heeft genomen die – achteraf beschouwd – nogal fout was. Tot dat inzicht moeten de Oostenrijkers nog komen. En dat gebeurt ook, er wordt eindelijk over gesproken, al is het schoorvoetend.

10. Hoe reageerden Vlamingen die Zwijg als je praat lazen?

De meeste reacties gingen over de stijl en het plot, minder over de inhoud (collaboratie en de zoon van ‘foute’ ouders). Ik weet dat ik een goed verteller ben, dat ik filmisch schrijf, de mensen kunnen zich de scènes goed voorstellen, iedereen voor zich op zijn eigen manier, en dat voelt aan alsof een hand hen door het boek begeleidt en hen loslaat net voor het plot. Ik verwacht op de Duitse versie (de roman is onlangs vertaald, red.) een heel ander soort reacties. Veel meer gepolariseerd en met meer polemiek. Het onderwerp ligt in Oostenrijk nog altijd veel gevoeliger dan bij ons. En ik ken heel wat mensen van de generatie na mij die nu pas aan dezelfde ontdekkingstocht begonnen zijn die ik achter de rug heb.

11. Welke reactie herinner je je het best?

Die vrouw die me schreef en vroeg hoe het kwam dat ik haar moeder kende. Dat ‘Martha’ in mijn boek, de moeder, haar moeder had kunnen zijn: een combinatie van een bitch en een slachtoffer van de situatie.

12. Je boek werd door veel mensen gelezen, onder andere door leden van historische kringen…

Ik hoop dat beide boeken bij zo veel mogelijk mensen iets wakker schudt. De thema’s zijn soms ondraaglijk relevant, laten niet los, en zetten bij velen hopelijk iets in gang dat niet meer te stoppen is.

13. Wat is jouw persoonlijke wens voor het geschiedenisonderwijs?

Vervang alle geschiedenisboeken van het eerste leerjaar tot het einde van de humaniora door het boek In Europa van Geert Mak. Boeiender, logischer, meer verhalend, objectiever en meer correct.

14. Na Zwijg als je praat (Lemmens) volgde Morgen is van mij (Lannoo): een roman over seksueel misbruik in de kerk. Weer een gedurfd onderwerp. Jij gaat taboeonderwerpen niet in uit de weg…?

Morgen is van mij is non-fictie. Het gaat over een keiharde realiteit die begin 2010 als een bom in België en de ons omringende landen is ingeslagen: seksueel misbruik in de kerk. Het gaat opnieuw over ‘zwijgen’, maar dan over een zeer zwarte kant van het instituut kerk en alles wat daaraan vast hangt. Het gaat over een van de zwaarste misdaden tegen de menselijkheid die men zich kan voorstellen, omdat dit soort misbruik gebaseerd is op macht. Macht van een volwassene, meestal een geestelijke, over een machteloos kind. In tegenstelling tot mijn eerste roman, had ik nu al zeven maanden research verricht, binnen het kader van mijn nogal uitdagende columns in De Standaard en De Tijd online. Ik kon het zwijgen van de kerk, de politiek en justitie niet meer aan. De reacties op de columns stroomden direct via mijn website bij me binnen. Ik werd op die manier met bijna honderdvijftig menselijke drama’s geconfronteerd, van slachtoffers die me hun verhaal schreven, vaak voor het eerst. 2010 was voor mij het zwartste jaar uit mijn leven, maar tegelijk ook de periode waarin ik het gevoel had voor de honderden slachtoffers van seksueel misbruik iets te kunnen doen.

Ik heb het boek in zesentwintig dagen geschreven, vijf weken later lag het in de winkel, met een nawoord van kinderpsychiater Peter Adriaenssens, onze Vlaamse commissaris Deetman zo te zeggen.

Overigens: ik zie nogal wat parallellen tussen Zwijg als je praat en Morgen is van mij. Er is over de thema’s ontiegelijk veel geschreven, vanuit alle invalshoeken, en toch blijft het onuitputtelijk. Oorlogservaringen zijn, net zoals de ervaring van misbruik, onuitwisbaar. Oorlogen hebben impact op de hele wereld, en op alle generaties. Misbruik vernietigt in vele gevallen het individu, de eigenwaarde, de levensvreugde. Het kind in de volwassene werd gedood. Voor beide thema’s geldt de levensnoodzakelijke hoop: ‘dat nooit meer!’

15. Kun je nog een anoniem bestaan leiden of zien mensen je ‘als die schrijver’? Zeker nu je stadsgenoten je boek ook kunnen lezen, aangezien – je noemde het eerder al even – er nu ook een Duitse versie is van Zwijg als je praat?

In mijn sociale kring in Wenen ben ik inderdaad de vrije journalist en auteur. Iedereen die me kent krijgt nu ook de kans mijn eerste roman in het Duits te lezen. Dat is – eerlijk gezegd – een heel eigenaardig gevoel. Ik heb me hier redelijk beschut gevoeld, de mensen kenden me als mens, vader van twee kinderen, partner van een Oostenrijkse vrouw, als buitenlander en dus enigszins een buitenstaander. Die relatieve anonimiteit is door de vertaalde roman nu verdwenen. Hoewel die toch al aan het afbrokkelen was nadat ik ook columns vertaald op mijn website heb gesteld en essays begon te schrijven, onder andere in het weekblad ‘Profil’.

16. Werk je momenteel aan een nieuwe roman?

Ik ben momenteel met een nieuwe roman bezig. De aanzet daartoe was eind 2009 al gegeven, maar dat project heb ik moeten opbergen omwille van Morgen is van mij en de nasleep ervan. Ik heb nog heel wat tijd nodig, want dit keer zal research me niet helpen. Het moet allemaal uit mijn eigen poriën komen. Daar hou ik van. De kans is trouwens groot dat hij meteen in Duitse vertaling verschijnt en misschien pas later in originele versie. Mijn Weense uitgever schijnt daar nogal belang aan te hechten. We mogen niet vergeten dat de Duitstalige markt vijf maal groter is dan de Nederlandstalige.

17. Waar zou je nog wel eens een boek over willen schrijven?

Ik zit met een concreet plan dat de komende maanden meer vorm zal aannemen voor een kinderboek. De thema’s worden me rijkelijk aangereikt door mijn zesjarige Weense dochter en de tekeningen van mijn dertigjarige Belgische dochter sluiten daar wonderwel bij aan. Het wordt een kwestie van tijd en organisatie, de afstanden zijn te groot om regelmatig samen te zitten. De vraag is dus niet of het er komt, maar wanneer het er komt.

18. Wat is je favoriete oorlogsboek of -film? Of website? Waarom?

Heb ik niet. Als ik geschiedenis lees, dan is het geschiedenis met een grote ‘G’.

19. Welke auteur vind je goed? Waarom? 

Murakami, Coetzee, Philip Roth, Lars Saabye Christensen en van bij ons Annelies Verbeke. Zeer uiteenlopend, ik weet het, maar ik hou van variatie.

20. Welke plek in Europa is je favoriete plek?

Elke plek waar het warm is, waar water stroomt, en veel licht voor mijn noodzakelijk optimisme zorgt. En een goede rode wijn voorhanden is tegen een betaalbare prijs, natuurlijk.

21. Je kent de archieven vrij goed. Welk archief kun je geschiedenisliefhebbende weblogbezoekers aanraden?

Over het thema collaboratie: het verhalenarchief van het Nederlands Nationaal Archief. Over het thema misbruik heb ik een nogal extensieve literatuurlijst samengesteld op mijn website.

22. Wat is je grote droom… als auteur, als mens?

Als auteur: de tijd krijgen te schrijven wat ik nog schrijven wil. Als mens: ik heb dit jaar mijn vader overleefd. Dat mag zo nog een tijdje doorgaan. De kaap is genomen.

23. Wat wil je zelf nog kwijt?

Sapere aude.

Reacties staat uit voor 23 vragen aan… Roel Verschueren

Opgeslagen onder Interviews