Tagarchief: Morgen is van mij

Seksueel misbruik in de kerk, een jaar later

Apache Newslab – Opinie – 13 april 2011

Het is ondertussen pijnlijk duidelijk geworden dat een jaar na het terugtreden van Roger Vangheluwe wegens seksueel misbruik op zijn neef, en zes maanden na het verschijnen van ‘Morgen is van mij, een antwoord op seksueel misbruik in de kerk’ , mijn voorspellingen in het boek één voor één zijn uitgekomen. Dat ik daaromtrent vooral ontgoocheling en geen greintje triomf voel, zal hopelijk niemand verbazen.

Nodeloos alle feiten, voorvallen, beslissingen, besluiten, uitspraken, weerspraken, debatten en verslagen te herhalen die sinds een jaar hun weg in de pers hebben gevonden… het enige positieve aan de hele situatie is precies dat de situatie ondertussen door iedereen gekend is.

Moe

Vanuit de kerk ontbreekt elk initiatief, vanuit justitie komen uitsluitend ontgoochelende berichten, de parlementaire commissie heeft zich met haar plan voor een arbitragestrategie afhankelijk gemaakt van de goodwill en medewerking van de bisschoppenconferentie. Een therapeutisch netwerk bestaat nog altijd niet.
De publieke opinie is moe, de pers is moe, de kerk inert, justitie speelt procedurespelletjes, slachtofferorganisaties sluiten de rangen niet, zelfs advocaten liggen overhoop omdat ze mekaar het licht in de ogen niet gunnen.

Ondertussen is Peter Adriaenssens overwerkt. Hij heeft alleen al voor andere familiale en misbruikdrama’s 48 uur per dag nodig. In zijn nawoord in mijn boek schreef hij:

Roel schrijft in zijn boek dat alles valse hoop is. Daar zou ik willen dat ik het niet met hem eens moet zijn. Daar mogen we het niet mee eens zijn. Die opdracht ligt nu bij ons allen. Om ons schaamtegevoel tot herkenning te maken.

Hij zou me vandaag, met tegenzin zo veel is zeker, over mijn voorspellingen van toen, over de hele lijn gelijk geven.

En Vangheluwe? Zijn toekomst is de enige toekomst die zeker is. Hij mag rustig oud worden in een klooster in de Loirestreek, hij blijft Monseigneur, blijft priester, blijft zijn inkomen ontvangen dat we via de staat met zijn allen voor hem verzekeren, en hij blijft uiteindelijk de meest gerenommeerde onbestrafte Belgische pedofiel.

Class-action

Het is voor een schrijver-columnist soms verschrikkelijk gelijk te hebben. Het is voor een slachtoffer echter nog erger te moeten besluiten dat de enige weg die nog open ligt, de harde, lange en pijnlijke weg is van een class-action. Een juridisch initiatief waarbij mensen die vergelijkbare schade werd toegebracht, gezamenlijk vechten om voor die schade erkend en vergoed te worden. En daar is niets immoreel aan. Een slachtoffer van een christelijke congregatie in België is even veel waard als een slachtoffer van dezelfde congregatie in Boston, en moet hier gelijkwaardig vergoed worden voor de aangerichte schade. Er mag geen selectieve schaamte zijn, er kan geen juridisch onderscheid worden gemaakt tussen het twaalfjarig kind dat door een priester in Amerika werd misbruikt en een twaalfjarig kind dat in een college in Antwerpen of Brussel werd misbruikt.

Wie niets doet, niet doorzet en uiteindelijk opgeeft, kan op termijn zichzelf niet meer in de ogen kijken. Niets doen is sterven, langzaam, maar zeker

Immoreel zou zijn, dat te willen verdedigen op basis van ‘andere landen, andere gebruiken’, omdat de argumentatie ‘andere landen, andere misbruiken’ niet opgaat. Want het is hetzelfde instituut dat ervoor verantwoordelijk is dat dit onrecht heeft kunnen plaatsvinden, heeft kunnen blijven duren, en flagrant werd genegeerd, nog altijd wordt ontkend, zoniet verstopt en verzwegen.

Maar wie gewoon in de woede blijft steken, is verlamd. Zoveel als angst verlammend is. Irrationele woede, de kwaadheid omwille van de kwaadheid, betekent al te vaak dat de dader van het misbruik nog altijd de bovenhand over het slachtoffer heeft, dat hij nog niet overwonnen is. En een slachtoffer dat het gevoel heeft er alleen voor te staan, kan maar weinig vooruitgang boeken. Media vermijden, al langer dan vandaag, die slachtoffers die uitsluitend door woede worden gedreven. Ook van slachtoffers wordt verwacht dat ze enige vooruitgang boeken.

Woede en angst

Warme lucht is het laatste wat we nu nodig hebben. En die blaast uit nogal wat richtingen de laatste tijd. Zij die werden misbruikt, verkracht en genegeerd, hebben er baat bij zich te laten vertegenwoordigen door mensen die bovenop troost en begrip, een duidelijke juridische weg afbakenen, binnen wat wettelijk en menselijk mogelijk is, met kennis en ervaring die aanvullend is, en daardoor de situatie van het slachtoffer uitklaren. Woede en angst zijn ook in de situatie waarin we ons bevinden, de grootste vijand van een oplossing en houden slachtoffers in een isolement waaruit ze zichzelf, dringend moeten bevrijden.

Robert, mijn vriend redacteur buitenland van het Oostenrijkse weekblad Profil, vroeg me onlangs wat nu de ‘situatie’ is in België omtrent misbruik en de kerk. Ik kon niet anders dan hem vertellen dat wat na zovele maanden overblijft, de enige strohalm is die ondertussen tachtig slachtoffers hebben vastgegrepen: zich aansluiten bij een class-action, een primeur voor België, tegen het instituut en haar verantwoordelijken waardoor het slachtoffers werd misbruikt. Want wie niets doet, niet doorzet en uiteindelijk opgeeft, kan op termijn zichzelf niet meer in de ogen kijken. En dat is precies wat we met zijn allen ondertussen al lang genoeg hebben gedaan. Niets doen is sterven, langzaam, maar zeker.

Roel Verschueren is journalist en auteur van ‘Morgen is van mij. Een antwoord op seksueel misbruik in de kerk’. Hij woont en werkt in Wenen.

Advertenties

Reacties staat uit voor Seksueel misbruik in de kerk, een jaar later

Opgeslagen onder Apache Medialab

In naam van de lotgenoten

Roel Verschueren is een Vlaamse publicist die in Wenen woont. Tijdens de afgelopen maanden schreef hij voor de kranten ‘De Standaard’ en ‘De Tijd’ columns over het seksuele misbruik van kinderen door Europese geestelijken. In zijn boek ‘Morgen is van mij’ heeft hij het nu ook over zijn eigen ervaring met misbruik.

‘Wie op zoek is naar sensatie, heeft het verkeerde boek in de hand’, luidt de eerste zin van uw voorwoord. 
Daar wilde ik meteen geen twijfel over laten bestaan. Op de columns die ik voor ‘De Standaard’ en ‘De Tijd’ schreef, kreeg ik veel reacties. Zo leerde ik de specifieke verhalen kennen van vijf slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken. Eén van hen is een ‘onrechtstreeks’ slachtoffer: haar broer heeft zelfmoord gepleegd. Aan de andere kant gebruik ik als motto voor het boek een citaat van Wittgenstein: ‘Alles wat uitgesproken kan worden, kan duidelijk uitgesproken worden.’

Toch stoort het u dat de media gretig op zoek blijven naar persoonlijk getinte verhalen, het liefst zonder schuilnaam, én met een foto erbij?
Ik begrijp dat iedereen zijn rol te vervullen heeft in dit debat. Maar sinds de voorstelling van het verslag van de commissie-Adriaenssens heeft het publiek toch al kennisgemaakt met zulke persoonlijke verhalen. En mensen als Sam Deurinck en Jan Hertogen hebben een gezicht gekregen, omdat ze er blijkbaar klaar voor waren om zichzelf te outen. Nu komt het er vooral op aan dat we als samenleving een volgende stap zetten.

Cruciaal voor de storm die de Kerk momenteel meemaakt, blijft voor u het initiatief van de jezuïet Klaus Mertes, hoofd van het Berlijnse Canisiuscollege.
Eind vorig jaar besloot hij de school waarvoor hij verantwoordelijk is, op te kuisen. Zijn uitgangspunt was: ‘Ik kom tot de vaststelling dat hier, vóór mijn tijd, dingen gebeurd zijn die ik niet kan vatten. Ik wil ooit de fierheid hebben om te zeggen dat iedereen die op deze school misbruikt is, zijn verhaal heeft kunnen doen en dat we samen naar een oplossing hebben gezocht.’ Meer dan welke bisschop ook heeft Klaus Mertes een mea culpa geslagen. Die nederigheid vond ik groots. Toen hem werd gevraagd of hij woedend was op de daders, antwoordde hij: ‘Niet zozeer op hen. Ze zijn me veel te vreemd. Maar het zwijgen, het wegkijken maakt me woedend.’ Vanaf dat moment ben ik me in de problematiek van het seksuele misbruik door geestelijken gaan verdiepen. Ik ging research doen: eerst over de situatie in Duitsland, later over die in Oostenrijk en Nederland.

Uiteindelijk vielen ook de dominostenen in België. Dat was onvermijdelijk?
Natuurlijk. Waarom zou ons land een uitzondering zijn? (schamper) Omdat de moedermelk hier zuiverder is? Omdat de Kerk hier alleen bewezen niet-kandidaat-kinderschenders tot het priesterambt toelaat? Nadat ik in maart mijn eerste column over het onderwerp had geschreven, kreeg ik al snel heel wat reacties. Dat was nog vóór de zaak Vangheluwe. Nadien is de respons alleen maar toegenomen.

In uw boek benadrukt u dat de slachtoffers geen homogene groep vormen.
Wie dat veronderstelt, maakt een zware denkfout. Het is een verzameling van mannen en vrouwen – verscheurde zielen, zeg maar – die elk hun eigen lijden hebben meegemaakt. Het enige gemeenschappelijke is dat ze nu samen onder de noemer ‘slachtoffer’ worden geplaatst. De grote uitdaging luidt: hoe krijg je zo’n heterogene groep georganiseerd? Momenteel bevinden we ons nog in een chaotische toestand. Dat is normaal, dat kun je nagaan bij soortgelijke kantelmomenten in de geschiedenis. Minister Vandeurzen roept dat hij een initiatief voorbereidt, Stefaan De Clerck wil de verjaring bekijken… Vanuit diverse hoeken worden dus impulsen gegeven, alleen hoop ik dat alles straks op een meer gecoördineerde manier verloopt.

De afstandelijke manier waarop aartsbisschop Léonard reageerde op het verslag van de commissie Adriaenssens, ontlokte Stefaan De Clerck de bedenking: ‘Léonard is een intellectueel, maar veel gelovigen hebben het moeilijk om zijn rigiditeit te plaatsen.’
In nogal wat media heb ik kunnen lezen dat Danneels en Léonard elk hun eigen manier van handelen hebben, elk een specifiek taalgebruik hanteren. Maar laten we toch vooral niet vergeten dat ze allebei onder de enorme invloed van het Vaticaan staan. Geen van beiden heeft tot nog toe een stap gezet zonder eerst naar de nuntius te luisteren. En die nuntius komt met de dwingende adviezen vanuit Rome. Zolang de stemming daar niet verandert, moeten we geen radicale ommezwaai bij onze kerkelijke hiërarchie verwachten. Terwijl de slachtoffers juist op duidelijke signalen blijven hopen.
Wat moet er volgens u in de eerste plaats gebeuren?
Een politicus die zegt dat de verjaring moet verlengd worden met een aantal jaren, gaat niet ver genoeg. Ik vind dat – wegens de omvang en ernst van deze zaak – de verjaring uitzonderlijk helemaal moet worden afgeschaft. Wie ooit een kind heeft misbruikt en vandaag nog leeft, of wie weet had van zo’n misbruik en dat heeft verzwegen, moet zijn straf krijgen. Hoe zwaar die straf hoort te zijn, is aan het gerecht om uit te maken.
‘Slachtoffers vragen niet dat de hele Kerk zou boeten’, noteert u. ‘Ze zijn niet op alle geestelijken kwaad. Ze vragen dat de daders en verzwijgers uit de Kerk verwijderd zouden worden.’
Mag ik even een link leggen met mijn persoonlijke verhaal? Van het eerste leerjaar in het lager onderwijs tot het tweede middelbaar heb ik bij de jezuïeten school gelopen. Toen heb ik me bewust laten zakken. Dat was de enige manier om weg te raken van de onderwijsinstelling waar ik door die pater was misbruikt. Maar daarom kan ik toch niet kwaad zijn op die héle school? Hoe graag ik daar ook mijn humaniora had afgemaakt.


De stille loyaliteit
Aan het seksuele misbruik door ‘De Haas’, de bijnaam van de pater in kwestie, besteedt u slechts vier pagina’s, omdat het u inderdaad niet te doen was om sensatie. Maar het zijn wel heel wrang geschreven bladzijden: ‘Ik moest maar heel even blijven, het zou zo voorbij zijn. Hij nam zijn rode balpen en hij leunde met zijn ronde hoofd over mijn linkerschouder om te kijken naar het blad voor ons terwijl hij mij op zijn schoot trok. (…) Hij begon te neuriën terwijl hij zich met afgemeten bewegingen tegen mijn lichaam aandrukte. Dan zag ik zijn balpen naar de linkerzijde van de kleine nul gaan. De Haas vroeg gemaakt plagend of het streepje naar boven moest of aan de rechterkant van de nul naar beneden. Een zes dan wel een negen maakte voor mijn moeder ontzettend veel uit. En niet in het minst voor godsdienst en Latijn.’
Ik heb het thuis nooit verteld. In 2008 heb ik het wel even fictief verwerkt in mijn roman ‘Zwijg als je praat’, een boek over een andere thematiek: gezinnen met een collaboratieverleden. Pas een paar weken geleden, in het vooruitzicht van het verschijnen van ‘Morgen is van mij’, heb ik mijn moeder – ze is 88 – voorzichtig duidelijk gemaakt wat me op die school is overkomen.

U blijkt niet het enige slachtoffer dat zijn ouders er nooit mee heeft willen belasten.
Zo zijn er inderdaad velen geweest. Dat moet je zien in de maatschappelijke context van toen. Veertig, vijftig jaar geleden bestond er nog geen cultuur waarin er tussen ouders en kinderen openlijk over seksualiteit werd gepraat. Om nog te zwijgen over andere kenmerken van die tijdgeest. De mensen waren superkatholiek en hadden het beste voor met hun kroost: ze werkten zich te pletter om hun kinderen toch maar te kunnen laten studeren, iets waar ze zelf niet of nauwelijks de kans toe hadden gehad. Dat besefte je zelf als kind ook maar al te goed. Dus zweeg je, uit een soort loyaliteit. Bovendien zat je ook met de vraag of ze je überhaupt zouden geloven. Het was allesbehalve vanzelfsprekend om je ouders te vertellen dat de priester – de man naar wie ze zo opkeken – zich aan jou vergrepen had.

Zitten nu niet heel wat geestelijken-op-leeftijd met een grote schrik dat ze, op de valreep, nog met hun daden zullen worden geconfronteerd?
Ik hoop het. Laat ze maar eens goed met de schrik zitten. Angst kan namelijk een katalysator zijn om eindelijk eens tabula rasa te maken met je foute verleden. Op een bepaald moment komt zo iemand misschien tot het besef dat hij maar beter alles opbiecht. Dan is hij tenminste van zijn angst af.

Auteur Oscar van den Boogaard liet zich in een column in ‘De Standaard’ ontvallen: ‘Ik ben blij met mijn katholieke opvoeding, hoe schijnheilig die ook was.’
Zelf kwam ik eerlijk gezegd vroeg – als tiener al – tot de vaststelling dat het geloof niks voor mij was. Dat staat los van wat er met die pater gebeurd is. Ik heb het geloof niet nodig om gelukkig te zijn. Maar ik respecteer wie dat in zijn leven wél noodzakelijk acht.
Veel latere relaties van seksueel misbruikte jongens en meisjes zijn afgesprongen op het onderwerp misbruik, schrijft u: ‘Partners die de rollercoaster aan gemoedswisselingen niet meer konden verdragen, of definitief wilden ontsnappen aan de repetitieve en alsmaar diepere depressies van hun misbruikte partner.’
In dat opzicht heb ik meer geluk gehad dan andere slachtoffers. In mijn relaties ben ik altijd meteen eerlijk geweest over wat me is overkomen, zonder de partner ermee te willen belasten. Ik heb ook nooit therapie moeten volgen.

Voelt u zich een ander mens nu uw boek in de winkels ligt?
Ik hoop in de eerste plaats dat het iets bijdraagt tot het evolueren van het maatschappelijke debat in de juiste richting. En lotgenoten wilde ik met de titel duidelijk maken: er is een fundamenteel verschil tussen zeggen ‘Ik ben een slachtoffer’ en ‘Ik was een slachtoffer’.
‘Morgen is van mij’ van Roel Verschueren verscheen bij de uitgeverij Lannoo.

Reacties staat uit voor In naam van de lotgenoten

Opgeslagen onder Interviews

Paus in de lift

Verschenen in De Standaard, 7 juni 2010

Het was een drukke dag geweest en ik wou zo snel mogelijk naar mijn kamer. Een late namiddag in Rome, op het nippertje nog een hotel gevonden niet al te ver van het Sint-Pietersplein, iemand die deze dagen – voor welke reden dan ook – in de buurt van het Vaticaan wil rondhangen, stelt vast dat in Italië de toeristische sector nog geen crisis kent. Ik wist dat het kamertje van vier op vier haar prijs niet waard was, maar wat doet een mens al niet voor een artikel.

Toen de enge lift tussen twee verdiepingen met een knerpende ruk bleef stilstaan, hoorde ik de man die achter me stond “Scheiße” zeggen. Ik keek vluchtig om, maar zocht snel de alarmknop en drukte. Er klonk één hol belsignaal, precies zoals ik me dat herinner van tram 7 die me in Gent naar school bracht en zijn halte verliet. Eén bel, ergens onder ons, hopelijk dicht genoeg bij de dikke man achter de kleine receptiedesk die daarnet nog ongestoord zijn krant zat te lezen.

Ik keek om en zag iemand die me in dit verre Rome niet als onbekend voorkwam. Die witte haren, de hese hoge “Scheiße”, zijn ouderdom, “Herr Ratzinger?” vroeg ik op goed geluk. Nou ja, geluk, ik zat nu niet bepaald op de Paus te wachten deze dagen, ik had de hele dag een lang gesprek met iemand die niet zo op hem gesteld was en dat laat natuurlijk ook sporen na.

Toen iemand van beneden iets naar boven schreeuwde, lachte de man kort en zei in het Duits: “Hij stuurt een technieker, maar er is veel verkeer. Ik hoop dat u geen dringende afspraak hebt?” Die had ik wel, met een dunne straal lichtbruin water uit de kleine douchekop en met het harde matras met groezelig dekbed.

“Roel,” zei ik en stak mijn hand naar hem uit. “Joseph,” zei hij en schudde wat oesterig en te lang. Toen ik hem vroeg of hij een dubbelganger was, mompelde hij dat een Paus niet mag liegen. Hij tekende met zijn duim een kruisje op de vier houten wanden van de liftkooi. “Biechtgeheim,” zei hij, “ik ben op weg naar mijn vrouw op kamer 31. Die is voor kort uit Duitsland overgevlogen om even bij te praten, en omdat Ursula nogal een grote mond opzet en het Vaticaan grote oren heeft…”

“Biechtgeheim heeft voor mij geen betekenis,” zei ik. “Trotzdem,” antwoordde hij op zoek naar een barst, een teken van vertrouwen, of wat daarvoor moest doorgaan. Ik moest kort leunen, scherpte mijn blik en pijnigde mijn hersenen… ik werd hier bijna zeker in de maling genomen.

“Uw vrouw?” vroeg ik. “Ja, ze stond vandaag op het Sint-Pietersplein, ik zag haar in het nieuws tussen alle andere vrouwen van priesters die opkwamen voor hun rechten. Ik had nochtans gevraagd dat niet te doen, maar wie ben ik?” Hij trok zijn neus op en vroeg: “En wat brengt u naar Rome? Uw geloof of uw niet geloven? Stoort het als ik even ga zitten?”

Hij klapte een stoeltje van de andere wand van de lift naar omlaag en liet zich zakken zoals alleen een oude, oververmoeide man dat kan, met een zware zucht na het neerkomen. “In zwart kostuum, zo zonder ornaat, zou u om het even wie kunnen zijn, ware het niet dat u zich de jongste maanden nogal in het nieuws hebt gewerkt,” zei ik. Hij keek me waterachtig aan en knikte. “Ik mis de schaduw,” zei hij zacht, “de lommerte van mijn studeerkamer en mijn boeken. Hoe veel kan een oude geestelijke zoals ik nog aan. Oostenrijker?” vroeg hij.

“Vlaming in Wenen,” antwoordde ik en liet me op de bodem van de lift zakken. Ik stond snel weer recht, ik wou niet moeten opkijken, daarvoor ontbrak me het respect. Toen ik na een korte stilte nogmaals op de gele knop drukte begon hij te lachen. “Maakt geen verschil, alles heeft zijn beloop, daar kan u, ja zelfs ik niets aan veranderen.”

“Het is dit ‘zelfs ik’ dat u gebruikt waarin het hele probleem gebakken zit,” zei ik, “ik hoop dat u dat begrijpt?” Hij dacht even na. “Ik voel wel dat u me niet mag, en daar hebt u waarschijnlijk alle redenen voor, maar kunnen we elkaar niet tutoyeren, de ruimte is te klein voor “u”, straks gaat de zuurstof nog uit aan “u”. Ik schreef in gedachten het woord “Paus” in mijn volgende column met een kleine “p”, die gedachte beviel me wel, ik had het eerder moeten doen. “Ik begrijp de haat, geloof me, ik begrijp de haat die ik op deze vierkante meter samen met jou moet inademen.” De paus had niet op mijn antwoord gewacht, misschien doen pausen dat niet, uit angst dat het antwoord hen niet bevalt.

“U zegt dat u de haat begrijpt,” zei ik, “waarom horen we dat dan niet? Waar blijft die verschrikkelijk luide schreeuw van verontwaardiging, de woede-uitbarsting die tot actie leidt? Waar blijft de nieuwe nederigheid, de hervorming waar de basis van de kerk om smeekt? Waar blijft een geloofwaardige volledige zuivering van het apparaat waar u aan het hoofd van staat? Waar blijft het antwoord op de vragen van de overlevers?”

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, haalde een nicorette uit zijn vestzak en bood er mij een aan. “Ik ken het leed van de slachtoffers waarover je spreekt,” antwoordde hij en slikte wat overvloedig speeksel weg. “Dat kent u niet.” Het tutoyeren lukte me niet. “Het zijn overlevers,” zei ik, “want de slachtofferrol hebt u zichzelf toebedeeld, door te proberen uit te leggen hoe het zover is kunnen komen en daarvoor begrip te vragen, door te spreken over ‘andere tijden’, door te proberen het gewicht van de kerk te minimaliseren en te claimen dat het in gezinnen veel erger is, veel vaker voorkomt, dus dat het in uw kerk nog zo erg niet is. Door geen concrete voorstellen tot compensatie te formuleren, door het onderzoek naar alle gevallen binnen eigen commissies te organiseren, door geen openheid te geven in alle dossiers en daders op een gepaste manier uit de kerk te verwijderen.

“Ik heb met slachtoffers gepraat,” zei hij luider. “Maar hebt u er ook naar geluisterd?” vroeg ik. Hij vroeg of ik dan precies wist wat ze willen? Of ik een duidelijke lijn zag in hoe ze geholpen wilden worden? Ik nam een in vier gevouwen blad uit mijn binnenzak en gaf het hem. Hij nam een bril en begon te lezen. “Excuses van de paus als hoofd van de kerk,” en las stil verder. Dan weer luidop “Excuses van de paus als Vaticaans staatshoofd,” gevolgd door stilte, “Openbaar maken van alle dossiers,” mmm, “Kerkelijk Recht ondergeschikt…”, “Burgerlijke meldpunten onder de controle van het gerecht….”, hij las zo’n vijf minuten in stilte verder. Hij vouwde het blad zorgvuldig langs de vouwlijnen dicht en stak het in zijn binnenzak zonder te vragen. Hij vroeg zich af waarom hem niemand ooit zo’n lijst gegeven heeft. “Wanneer heeft u er dan ooit naar gevraagd?” vroeg ik.

“En aan hoeveel klachten zitten jullie ondertussen in België?” vroeg hij en stak zijn bril weg. “Volgens mijn gegevens uit alle meldpunten, ook die buiten de Commissie, aan 951,” zei ik.

“Hoe tel je?” vroeg hij.

“Correct,” zei ik. Hij keek lang in mijn ogen en boog uiteindelijk het hoofd.

De lift schoot kort omhoog. “Elk beetje beweging in deze situatie is welkom,” zei de paus. “Zo is het met alles. Weet je dat Simenon ooit met Hitler in dezelfde Parijse lift zat?” vroeg ik.

“Ik hoop dat je daar niet te veel parallellen uit trekt?”

Ik zei dat ik mezelf nooit op het niveau van Simenon zou durven inschatten, en  hoewel hij begreep wat ik bedoelde, stak hij zijn hand uit en zuchtte: “Ik moet hier eens rustig over nadenken, maar onmogelijk is jouw lijstje niet.” Ik zei dat hij dat beter niet te rustig zou doen. Dat al te veel tijd is verlopen en de situatie er niet beter op wordt.

“Na het WM,” zei hij, “na het WM, ik krijg eerder niet al mijn mensen bijeen, ik moet hen ook wat rust gunnen. Kom je op 1 oktober ook betogen op het Sint-Pietersplein?” Ik zei dat ik zeker in de buurt zou zijn. “Goed, dan zien we elkaar hopelijk nog eens.”

Toen eindelijk de liftdeuren opengingen stapte hij diep voorovergebogen de gang in. Aan deur 31 draaide hij zich kort om. Hij haalde het papier uit zijn binnenzak en stak het als afscheid in de lucht. “Wanneer verschijnt het?” riep hij.

“Hopelijk voor het WM!”

Ik liet zijn biechtstoel voor wat hij was en nam de trap naar mijn verdieping. Te veel lift in Rome is voor niemand goed!

P.S. Op 11 juni 2010 (vier dagen na het verschijnen van deze column) vroeg de paus in naam van de kerk vergiffenis voor het pedofilieschandaal tijdens een eucharistieviering in aanwezigheid van 15.000 priesters op het Sint-Pietersplein in Rome.

P.P.S. Op 28 februari 2013 trad deze paus af. In de hoop hem snel te vergeten.

Reacties staat uit voor Paus in de lift

Opgeslagen onder De Standaard, Essays