Tagarchief: Oostenrijk

Facebook versus de Kerk

“Ontvrienden” of “ontdopen”. Oostenrijk – België: 1 – 0

Begin april 2010 beslissen een vriend redacteur van een Oostenrijks weekblad en ik tot een experiment. Tijdens een lang gesprek lanceer ik de vraag: “Wat denk je is makkelijker: je profiel verwijderen van Facebook of je laten uitschrijven uit de kerk?”

Omdat je over een dergelijk onderwerp geen weddenschap afsluit, besluiten we de test te doen ten gunste van onze lezers. En hoewel het verhaal ook moeilijk als wetenschappelijk experiment kan bestempeld worden met een steekproef van twee, leggen we toch een aantal regels vast. We bezitten nog geen Facebook profiel, dus we zouden dat elk voor onszelf op dezelfde dag en hetzelfde uur aanmaken. Nog een regel is, dat we elk minstens 100 vrienden moeten hebben vooraleer ons profiel bij Facebook zou worden afgesloten, we zouden op elkaar wachten tot het zo ver was. Laatste regel: de dag waarop we gelijktijdig ons profiel zouden proberen te verwijderen moest dezelfde dag zijn waarop ons verzoek tot kerkelijke uittreding op de post zou gaan, met een foutmarge van twee dagen. Ik moest immers mijn brief aan het bisdom Gent aangetekend vanuit Wenen versturen, dus ook de bevestiging van schrapping mocht twee dagen langer uitblijven dan bij hem.
Op 6 april staan beide profielen op de server van het sociale netwerk.

Sociale netwerken kennen we vooral sinds het ontstaan van Facebook, Linkedin, Netlog, Hyves, MySpace, Twitter, Skyrock, HI5, Orkut enz. Maar het fenomeen bestaat uiteraard al eeuwen. Binnen de ruimere definitie, dus buiten het internet, kan men rustig stellen dat de kerk aan de basis ligt van een eigen sociaal netwerk, zij het dan een religieus-sociaal netwerk.
Mensen kunnen kiezen of ze hun geloof dan wel eerder voor zichzelf belijden of de beleving ervan beperken tot de intimiteit van het gezin, de meeste christelijke gelovigen voelen echter de nood tot verzamelen, samen beleven, behoren tot een groep gelijkgezinden, en hoewel de laatste tijd steeds minder, voornamelijk binnen een parochie, binnen de kerk. Toetreden tot het sociaal netwerk is binnen de kerk even makkelijk als bij Facebook. Inschrijven, wat gegevens doorgeven (dopen), en af en toe actief zijn (communie of huwelijk), profiel af en toe aanpassen en met andere mensen communiceren, kortom bijdragen tot de gemeenschap. De paus Mark Zuckerberg bepaalt de algemene regels van Facebook, de priester in de kerk de christelijke moraal in opdracht van de Romeinse Curie en in lijn met Benedictus XVI, de bijbel en het kerkelijk recht.

100 vrienden

Op 21 april hadden we beiden de kaap van de honderd vrienden bereikt, dus we klikten op “mijn account verwijderen”, vervolgens op “versturen”, wachtwoord ingevuld en als we gedurende twee weken niet meer zouden inloggen wordt het account definitief verwijderd. We zochten nog voor de zekerheid naar een website van Vlaamse en Oostenrijkse kerk of dergelijke procedure ondertussen ook daar werd ingesteld, uiteraard een vrome wens. Dus naar het postkantoor, ik met mijn prior aangetekende brief, hij met zijn gewone brief.

Ik heb me twintig jaar geleden uitgeschreven uit de kerk in België. Ik deed dat nogal naïef met een gewone brief aan het bisdom, die waarschijnlijk, zoals ze dat zo mooi zeggen ‘verloren’ moet gegaan zijn. Ik kreeg nooit bevestiging van ontvangst, ook nooit bevestiging van uitschrijving. Uitschrijven is trouwens een nogal eufemistisch en veelbelovend woord voor wat in de realiteit gebeurt. Je kan dat bolletje of kruisje dat naast je naam staat in het doopregister moeilijk een blijk van tegemoetkoming noemen, laat staan dat het als een “ontdoping” kan worden beschouwd. Ik kan me “ontvrienden” bij Facebook, niet in de kerk.

Bisdom Wenen

Op 4 mei ontving mijn vriend een brief van zijn bisdom in Wenen, met daarin een spijtbetuiging wegens zijn beslissing, maar dat ze die respecteren, en dat hij officieel geschrapt werd in de registers. Het onmiddellijk gevolg hiervan is voor de Oostenrijkse kerk het verlies van een kerkbijdrage, ze noemen het een “kerkbelasting”. De kerk wordt in Oostenrijk gefinancierd door haar gelovigen. Tijdens de eerste vier maanden van dit jaar verloor de Oostenrijkse kerk meer dan 65.000 leden, goed voor zo’n slordige acht miljoen Euro minder inkomsten. Besparing is aangezegd.
We vinden dit eigenlijk met zijn allen nogal logisch, dat het in België echter niet zo loopt blijkt weinig burgers te storen. In België cofinancieren een paar miljoen niet-gelovige burgers via hun belastingen het hele kerkelijk systeem. Voor onderhoud van gebouwen, over wedden van priesters en pastoors, de pracht en praal van ceremonies en paleizen, tot en met het pensioen (hoewel verminderd) van foute bisschoppen in ballingschap. En niemand die in België begrijpt dat dit systeem er onrechtstreeks toe bijdraagt dat de kerk (ook) daardoor over een financiële macht beschikt die aan tij en ontij ontsnapt, wat er ook gebeurt. En zij die proberen duidelijk te maken dat de scheiding van kerk en staat niet met zoveel woorden in onze grondwet staat, moeten toegeven dat toch minstens de scheiding tussen kerk en politiek aan de orde moet zijn. Behalve als in het instituut kerk onkuise dingen gebeuren die ook in het burgerlijk wetboek zijn verboden. Dat geboden niet boven de wet staan impliceert dat die mensen die ons jarenlang met die geboden om de oren hebben geslagen, evenmin boven de wet mogen staan.

Bisdom Gent

Ik heb vandaag (25 mei) van het bisdom Gent nog niets gehoord. Noch bevestiging van mijn brief, nog bevestiging van mijn officiële uittreding uit de kerk.
Onze profielen op Facebook waren binnen de 10 dagen verwijderd. Mijn vriend is officieel uit de Oostenrijkse kerk getreden, mijn aangetekende brief is waarschijnlijk ergens verloren gegaan.
In uiterste nood mag iedereen dopen, hebben we geleerd. In uiterste nood mag dan ook iedereen “ontdopen”, vindt mijn vriend. Welk ritueel daarvoor ook gebruikt wordt, we vinden er samen wel een dat ons past.

Advertenties

Reacties staat uit voor Facebook versus de Kerk

Opgeslagen onder De Standaard

“Torfsen”: overgangk. werkw.; torfste, h. getorfst

Verklaring: de via de media opgebouwde zelfopenbaring inzetten voor een politiek doel

Antoniem: onttorfsen

Etymologische oorsprong: terug te leiden naar een professor kerkelijk recht aan de Katholieke Universiteit Leuven in de vroege jaren van de 21ste eeuw, die zich afvroeg wie anders de wereld zou redden.

Dat we gaan stemmen op 13 juni heeft ondertussen ook de Oostenrijkse pers met de nodige ironie becommentarieerd, ze begrijpen ons land hoe dan ook niet meer. Ze hadden zich dan de moeite getroost om de Oostenrijkers in geuren en kleuren uit te leggen hoe het BHV-probleem in mekaar steekt, ook die moeite lijkt nu tevergeefs. Vooral de hardnekkige vraag primeert, hoe een land als het onze ooit met enige politieke geloofwaardigheid het Europese Voorzitterschap kan waarnemen twee weken na de nieuwe verkiezingen. Hoe wordt ondertussen dat vacuüm ingevuld?

“Gewoon,” zegt een Weense vriend redacteur bij een Oostenrijkse krant, “zoals het in België altijd gaat: ook zonder regering lijkt alles normaal door te lopen, dus geen angst, België en de Belgen redden zich wel, ook dit keer.”

De afstand tot mijn geboorteland is te groot, de lokale interesse te klein, om mijn gastland uit te leggen hoe de nieuwe politieke kopstukken opduiken bij de samenstelling van de lijsten. Hoe oudgedienden zich terugtrekken omdat ze zich door hun eigen partij op een zijspoor gezet voelen. De Torfsen, Bracke’s en andere professoren of leden van de Vlaamse intelligentsia die zich plots geroepen voelen om “een nieuwe dialoog op gang te brengen”, de “moeilijkste beslissing uit hun leven nemen”, of “voor nieuw bloed” willen zorgen, halen buiten onze grenzen het nieuws niet. Randverschijnselen hebben zo hun beperkte impact. Zij het kerkgebonden professoren, Loge-gebonden journalisten, NGO-gebonden professoren, zonen van ex-ministers, in de Belgische politiek heerst nu eenmaal amper eb en vloed, kabbelend water maakt geen golven.

Dat de splitsing tussen kerk en staat in België stilaan als een constitutionele grap te begrijpen is, is zelfs hier in Oostenrijk wel bekend. Ze zijn hier met name in hetzelfde bedje ziek.

Rik Torfs weert zich in zijn wijwatervat met – nu al – herkenbare clichés, zijn eigen clichés trouwens, waardoor alles wat hij na zijn eerste ‘coming out’, braaf gezeten naast zijn schoolvriendinnetje en voorzitster van de partij, nog te vertellen had ontaardt in pure herhaling. En het verhaaltje is dun, de herhaling brengt niets nieuws. Zijn tekst is geschreven, zijn houding is bepaald, zijn tweede plaats op de lijst verzekerd, zijn broodje gebakken, zijn rijkelijk pensioen gegarandeerd, zelfs de zakkerigheid die hij in de pluche zetels van de Senaat meebrengt, hangt nu al als een gouden kroontje rond zijn hoofd. Zijn aura glanst niet meer, het wordt gewoon meer van hetzelfde: een korte verondersteld grappige zin, en half verdraaide leugen (“nee, ik ben op dit moment niet in gesprek met de partij”), een tussendoorse aanbeveling voor zijn nieuwe boek, de zaken lopen goed.

Er schuilt een bepaalde naïviteit in de veronderstelling dat iemand zo maar van universitaire autoriteit naar politieke autoriteit kan overstappen. Dat zijn bijdrage aan de maatschappelijke discussie die hem als professor nog een respectabele geloofwaardigheid gaf, als verworven mee overstapt in het lome politieke halfrond tot wat de Senaat sinds lang verworden is.

Rik Torfs’ erudiete geloofwaardigheid was tot voor kort gebaseerd op de wetenschap dat de man aan een zijlijn stond die hij zelf getrokken heeft: dicht genoeg bij het onderwerp kerk om als professor te kunnen functioneren, ver genoeg weg van het onderwerp politiek om een nog net aanvaardbare zelfbepaalde ‘neutraliteit’ te kunnen claimen in woord en tekst. Van iemand die van de veilige zijlijn op het voetbalveld springt om te kunnen meespelen, is verondersteld dat hij een voetballer is. Iemand die zich daaraan waagt in de overtuiging dat hij echt kan spelen, laat zich niet opstellen in een uitgespeelde ploeg zoals de Senaat, die gaat dan open en bloot in de actieve politiek waar het af en toe warm wordt, waar niet alleen stelling wordt genomen of dialoog op gang gebracht, maar ook geprobeerd wordt te beslissen. Lukt vaak niet, compromissen vormen is een moeilijke stiel, zeker in een land als Belgiê. Maar men moet zich nat maken, doorzetten, midden in het politieke bad springen, zelfs als men weet dat af en toe iemand verdrinkt.

De stap van de zijlijn naar het veld vereist een metamorfose. Zoals de nimf Daphne die in een laurierboom veranderde, Actacon die een hert werd na het zien van de naakte godin Diana. Een professor kerkelijk recht blijft een professor kerkelijk recht, van metamorfose kan hier geen sprake zijn, zeker niet als we de vele repetitieve interviews beluisteren en lezen die zijn stap vergezellen. De rups heeft zich niet ontpopt tot een frisse vlinder, en zal dat ook niet doen. Daarvoor is de Senaat trouwens de verkeerde waardplant voor Rik Torfs.

Reacties staat uit voor “Torfsen”: overgangk. werkw.; torfste, h. getorfst

Opgeslagen onder De Standaard

Onbarmhartige Samaritanen…

Ik vind de vergelijking onmenselijk cynisch en denigrerend, vooral als die komt van iemand die de situatie misbruikt. Hij noemt het een vorm van straatprostitutie, maar dan (bijna) uitsluitend door mannen bedreven.

Het zijn hoofdzakelijk Polen, Serviërs en Roemenen die van ’s morgens vroeg bij minder dan 3° Celsius verkleumd rond de bouwmarkten hangen, in de hoop letterlijk te worden opgepikt door een klant. Vijf euro per uur verdienen ze, af en toe, niet elke dag is een goede dag. Het zijn huisvaders die hun gezinnen achterlieten in hun dorpen, in de stille hoop in de ‘grote stad’ die Wenen is, in het ‘welvarende land’ dat Oostenrijk is in twee weken de 500 euro zwart te verdienen waar de familie thuis twee maanden kan mee overleven. Zwart, omdat de arbeidsvergunning ontbreekt.

Dat de Polen al heel vroeg in de morgen schnaps drinken om de kou te verdrijven stoort de Roemenen niet. Die spelen een of ander bordspel om de tijd te doden, de verveling en de kou te bekampen tot een klein busje stopt. Dan draait de bestuurder het raam rechts open, steekt eerst drie vingers in de lucht, werk voor drie mannen, dan vijf voor vijf uren werk, en dan nog eens vijf, vijf euro per uur. ‘Metsers’ roept hij.

Wie het eerst in het busje springt heeft de job. Ze rijden weg zonder te praten, zonder te weten waarheen. Misschien naar een werf in een afgelegen district van waar ze na het werk meer dan een uur moeten terug wandelen om ergens te kunnen overnachten waar niemand weet dat ze er overnachten.

Arbeidsprostitutie. Het zal wel van alle tijden zijn, het zal wel levensnoodzakelijk zijn, voor hun plezier staan deze mannen niet aan de bouwmarkt op straat, vaak dagen of weken zonder werk, wachtend op een busje en een stukje van de koek.

Dat diezelfde welstellende opdrachtgever dan ’s avonds naar huis rijdt, naar de warmte van zijn gezin, en zelf op de zwartwerkers meer heeft verdiend dan de mannen zelf, stoort hem niet. En dat hij aan tafel, met vrienden bij een glas bier oeverloos en schaamteloos zit te klagen over hoe zijn mooie land vervuild wordt door al die illegale migranten, vindt hij ook normaal.

Op kerstavond zit hij uitgedost met zijn gezin in de kerk en koopt zich via het offerblok op de kap van zijn medemens een geweten.

Reacties staat uit voor Onbarmhartige Samaritanen…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

Het nieuwe Oostenrijkse virus heet Jane Bürgemeister

Ze is de dochter van een Ierse moeder en Oostenrijkse vader met Umlaut, ik schat ze veertig. Ze ziet er wat burgerlijk uit, heeft kort haar, randen onder de ogen en te veel lippenstift op haar volle lippen. Ze zit dag en nacht achter haar computer van waaruit ze de ondertussen meest gelezen en meest geloofde samenzweringstheorie verkondigt die in Cyberspace en ver daarbuiten door een gigantische schare goedgelovigen wordt gevolgd, gesteund en gevoed.

Sociologen noemen het fenomeen “Hightech-Paranoia”.

Haar paranoia is uiteindelijk een eigen leven gaan leiden. Het gaat over het feit dat de WHO het levende vogelgriepvirus aan Baxters dochterbedrijf in Oostenrijk heeft geleverd, dat vervolgens door Baxter werd gebruikt bij de productie van 72 kilo vaccin in februari 2009. Baxter zond dit bewust besmette product vervolgens naar 16 laboratoria in vier landen, waardoor er bijna een wereldwijde pandemie werd veroorzaakt. Omdat Baxter zich verplicht moet houden aan zeer strenge veiligheidseisen, kan de besmetting, productie en verspreiding van het met het gevaarlijke vogelgriepvirus besmette materiaal nooit een ongeluk zijn geweest. Medewerkers van een lab in Praag ontdekten de besmetting en sloegen alarm. Baxter spreekt van “menselijke, technische en proces gerelateerde fouten.”

Bürgemeister springt op het verhaal.

Waar ze zich aanvankelijk toespitst op mank lopende veiligheidsprocedures in de farmaceutische industrie, evolueert haar onderzoek in de richting van een samenzwering. In interviews die ze – tot voor kort – nog bereid was te geven, is vast te stellen dat Bürgemeister langzaam maar zeker een fobie ontwikkelt die rechtstreeks ontaardt in een samenzweringstheorie.

Op haar website, in video’s die ze zelf laat maken, in folders en vlugschriften waarschuwt ze de wereld voor een door de WHO, UN, vrijmetselaars, Bilderbergers en Illuminati gesmeed complot om tot 80% van de wereldbevolking uit te roeien door middel van verplichte inentingen van besmette vaccins tegen griep. Motief is de schaarste aan grondstoffen. Deze groep samenzweerders heeft zich als doel gesteld de wereldbevolking drastisch te reduceren tot een “aanvaardbaar” aantal, zodat een nieuwe frisse planeet ontstaat, bijna teruggebracht tot haar “oertoestand”.

En achter dit alles gaat – anders was ze geen Oostenrijkse – een Joodse samenzwering schuil mede gevoed door de bankiersfamilie Rothschild. Haar overtuiging dat Joden boosaardig zijn geldt voor Bürgemeister als basis van haar samenzweringstheorie.

Ze ondernam juridische stappen, formuleerde aanklachten tegen onder andere Baxter, Avir Green Hills Biotechnology, media in Oostenrijk die haar slecht afschilderen, de Bondskanselier, George Bush, zelfs Obama ontkomt niet aan de verbetenheid waarmee ze probeert haar door bijna waanzin gedreven opdracht om deze samenzwering te ontmaskeren tot een goed einde te brengen. Voor het te laat is. Te laat is het binnen een paar maanden, als de regeringen de burgers bij WET zullen verplichten zich te laten inenten met een gecontamineerd vaccin.

Als krimi ware dergelijk verhaal nog verteerbaar. Dat de dame vanuit haar woning in Wenen ondertussen de krimi tot non-fictie heeft verheven is in goedgelovig cyberspace niet meer te stoppen. Men kan zelfs via haar website een donatie overmaken, zodat de “Hightech-paranoia” ongestoord zou kunnen verdergaan.

Reacties staat uit voor Het nieuwe Oostenrijkse virus heet Jane Bürgemeister

Opgeslagen onder De Standaard

Brood en spelen

Er zijn zo van die dagen waar een en ander gebeurt. Vandaag is zo’n dag, tenminste in Oostenrijk toch, hoewel in België het spoor ook plat ligt.

Bondskanselier Faymann

Nadat Bondskanselier Werner Faymann in de korte tijdspanne van 48 uur drie maal zijn standpunt wijzigde betreffende de problemen aan de Oostenrijkse universiteiten, begrijpt binnen zijn eigen socialistische partij geen mens meer wat nu eigenlijk de partijlijn is. Chaos alom. Chaos ook vandaag in Wenen: de studenten zullen massaal demonstreren en tegen 16 uur één van de belangrijkste verkeersaders van de stad, de “Gürtel” lamleggen.

De verantwoordelijke minister, Johannes Hahn (Christendemocraat) die zich verzekerd weet van een post als EU-commissaris wil nu plots wel met een delegatie praten, hij heeft niets meer te verliezen en probeert zijn afscheid van de binnenlandse politiek nog iets heldhaftig te geven. De studenten zeggen niet ‘nee’ maar vragen zich terecht af waarom ze deze afscheidnemende minister nog ernstig zouden nemen. Hij weigert pertinent, en dit al sinds weken, enige vorm van overleg. Het wordt heet vandaag, en niet alleen in Wenen, ook in Innsbruck en Graz en aan enkele solidaire universiteiten in Duitsland. “Die Zeit” kopt vandaag: “Het Uni-debacle. De regering is radeloos en vindt geen manier om met de rebellerende studenten in dialoog te treden.” Tijdens het debat op ATV gisterenavond werd nog eens duidelijk hoe zeer de politiek steeds terugvalt op “Leistung”, prestatie. Als de universiteit dan voor iedereen toegankelijk is, als die dan bijna gratis moet zijn, mag van de studenten ‘prestatie’ worden verwacht. Het hele oorspronkelijke concept van universiteit wordt onder de tafel geveegd, de hele idee dat mensen ook recht hebben te studeren alleen voor zichzelf, voor hun persoonlijke ontwikkeling, om hun specifieke intellectuele honger te stillen zonder dat daar automatisch een belastbare job moet uit voortspruiten, komt zelfs niet meer aan de orde. Gelukkig was het bitsige en gevatte geweten van intellectueel Oostenrijk aanwezig, journalist, auteur, criticus Robert Menasse die zich gelukkig nog echt kwaad kan maken. Eén man, als een Don Quichot in een lamme arena politici die het niet meer weten.
Ondertussen wordt de in Oostenrijk opzij geschoven en licht verguisde Ursula Plasnik (ex-minister buitenlandse zaken) in Parijs opgenomen als officier in het “Légion d’honneur”.Gelijktijdig is in dit diep-christelijke land grote beroering ontstaan over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat religieuze symbolen in scholen veroordeelt.

Schönborn

De halflege kerken zijn plots te klein om het protest van zowel de Oostenrijkse Kardinaal Christoph Schönborn als alle politieke partijen (behalve Groen) te herbergen. De uitspraak wordt unaniem en categorisch genegeerd, ze is op Italië toepasselijk, niet op het Alpenland. Oostenrijkse oplossing.

Om alles voor vandaag af te ronden, in het de meest noordelijke autonome provincie van Italië, Zuid Tirol, broeit een nieuw conflict: moeten de meer dan 60.000 wegwijzers voor de duizenden wandelaars die dit prachtig stukje ex-Oostenrijk elk jaar doorkruisen tweetalig worden of volstaat eentalig Duits, zoals nu het geval is? Voor de ex-Oostenrijkers zou een bewegwijzering in het Italiaans te pijnlijke herinneringen aan het fascisme oproepen, dat aan de grondslag ligt van de toewijzing van dit 7400m2 stukje Oostenrijk aan Italië.
Waar een natie groot kan in zijn.

Maar tegen vanavond is alles vergeten. Dan speelt Rapid Wien tegen Tel-Aviv in de UEFA. Kwestie van de dag met een licht gemoed te kunnen afsluiten. Panem et circenses.

Reacties staat uit voor Brood en spelen

Opgeslagen onder De Standaard

De Oostenrijkse staat is een jaar jonger dan ik, en dat zal altijd zo blijven…

26 oktober is altijd een bijzondere dag. Niet omdat het de Nationale Feestdag van de Republiek Oostenrijk is, maar vooral omdat deze Nationale Feestdag mij er elk jaar opnieuw aan herinnert wanneer ik aan mijn tweede leven ben begonnen dat zich – toeval oh toeval – in Oostenrijk afspeelt. Ik was in Zuid-Afrika op 26 oktober 2002 en soms slaat in een mens zijn leven de bliksem in. Sinds vijf jaar ben ik buitenlander in Wenen, een en ander om over na te denken.

En ik bevond me dit weekend in goed gezelschap. Alle kranten en tijdschriften in het Alpenland besteden hele katernen vol aan de ‘heimat’, hoe het met het land is gesteld, geven politieke beschouwingen en laten vooral, en dat is nieuw, niet-Oostenrijkers aan het woord die hier sinds korter of langer om welke reden dan ook al dan niet hun plek hebben gevonden, of juist omwille van hele duidelijke redenen het land hebben verlaten. Ik laat vandaag de anderen aan het woord. Mevrouw en Mijnheer Oostenrijk zijn dus 54, en ze zullen het geweten hebben.

Even kort en krachtig: Oostenrijk is eigenlijk een Republiek sinds 1918, maar heeft in 1955 door middel van het ‘Staatsverdrag’ haar definitieve nieuwe grenzen moeten aanvaarden. Daar begint de jaartelling van het nieuwe Oostenrijk dat in 1995 lid werd van de Europese Unie, in 2002 de Euro invoerde en in 2008 het Verdrag van Lissabon ratificeerde. Een jonge bruid dus, toch vanuit Europees perspectief.

Maar in het echt een oude taaie tante, diep in de burgers ingebakken, die met een steeds opnieuw opduikende nostalgie terugdenkt aan de gloriejaren, in gesprekken met mij meer bijzonder graag verwijst naar de tijd toen Vlaanderen behoorde tot de Oostenrijkse Nederlanden. Kwestie van ervoor te zorgen dat ik met de nodige nederigheid én onderdanigheid blijvend respect opbreng voor dit gereduceerd overblijfsel van de Habsburgse Dynastie.

Er zijn niet toevallig twee boeken verschenen deze week, totaal verschillend, echter met een gemene deler: ze beschrijven beide het ‘bizarre’ en het ‘absurde’ over Oostenrijk, dat waarschijnlijk deels aan deze ‘reductie’, deze amputatie van macht en territorium ten grondslag ligt. “Ach Austria – verrücktes Alpenland,” van Marion Kraske en “Dem Österreichschen auf der Spur,” van Charles E. Ritterband. Nee, ze zijn nog niet vertaald, aan het eerste begin ik binnenkort. De rode draad doorheen beide boeken gaat zo diep door de Oostenrijkse samenleving, dat men er stil van wordt. Maar het soort stil waarbij nogal wat wordt gelachen, gegrijnsd en gemeesmuild.

Christian Ankowitsch, cultuurredacteur van Der Standard, verliet beroepshalve Wenen in 1993 en trok naar Hamburg. “Ik dacht dat ik naar een andere stad verhuisde en alles over Oostenrijk wist,” zegt hij, “maar ik vergiste me drie keer op een rij.” Zeven jaar later, woont hij in Berlijn en is voor hem Oostenrijk nog altijd een ‘troebel beeld’ dat hij maar niet scherp gesteld krijgt. Vanuit Berlijn bekijkt hij de Oostenrijkse politiek  als iets waar hij zich liefst niet te veel zou willen mee bezig houden: omwille van de neiging naar provincialisme, het durend hervervallen in dezelfde zonden en de steeds weer opduikende haatgevoelens. En het is vele andere Oostenrijkers in het buitenland niet anders gesteld. “Ik heb me in mijn land vergist,” zegt hij, “want als het erom gaat wie staatsburger van mijn land kan worden, of wie dat NIET kan worden, gaat het over vele migranten. En om mijn eigen kinderen. Want hun moeder is Duitse en we zijn niet getrouwd, dus is er geen kans dat mijn kinderen ooit Oostenrijkse staatsburgers worden. En zelfs als dit voor mijn familie geen existentieel probleem is, wat voor vele migranten wel zo is, doet die koude houding van mijn land me pijn omdat het blijkbaar niet geïnteresseerd is zich als mensvriendelijke staat te profileren.”

‘Mensvriendelijkheid’ is geen gemiddelde karaktertrek van de Oostenrijker.

Zoals Lisa Bjurwald, een Zweedse journaliste die een beurs kreeg om in Wenen verder te studeren ervaart aan boord van haar Austrian Airlines vlucht naar wat ze denkt een soort beter gelegen, groter Stockholm te zijn: proper en met veel cultuur en meer dan een miljoen inwoners. Nieuwsgierig leest ze het on-board magazine waarin uitgebreid over een Oostenrijkse karaktertrek wordt geschreven: het klagen. Welk land wil zich zo in de kijker stellen?

De in het ‘Anschluss’-jaar 1938 in Wenen geboren filosoof Rudolf Burger, gekend voor zijn controversiële maar altijd sterk onderbouwde en kritische maatschappelijke en politieke essays over zijn geboorteland, gaat meestal een stuk dieper. “Oostenrijk is een klein dik land, buiten of aan de rand van het wereldhistorisch gebeuren, het is zelf geen acteur, houdt zich buiten conflicten omwille van haar ‘neutraliteit’. Dat vernauwt natuurlijk ook het zicht. En leidt tot zelfgenoegzame schijnheiligheid, met een lichte neiging tot hysterie.”

Neutraliteit als vlucht uit de realiteit.

Het woord “Wiedergutmachung” in de ruimere betekenis van het Nederlandse “schadeloosstelling” of het Engelse “restitution” was een Duits concept, waarmee de regering onder andere overlevenden van de Holocaust of werkkampen financieel compenseerde en daardoor een streep wou trekken onder het grauwe verleden, in de mate dat zoiets überhaupt mogelijk is. Maar het was de grondreden waarom een nieuwe Duitse staat een nieuwe start kon nemen, mensen verder konden met hun leven, een teken werd gegeven van schulderkenning waarna moeizaam aan verzoening kon worden gedacht. In Oostenrijk heeft dit nooit zo plaats gevonden, was en bleef alles meer tweespaltig, weerspiegelt het zoveel meer een houding van onderdrukte schuld die zich verstopt achter de rol van slachtoffer, omdat die leefbaarder is, draaglijker, maar waardoor ook niemand met zichzelf echt en volledig in het reine komt. Vergeving is een onmogelijk moeilijk idee, verwerking een werkwoord zonder einde. Alsof de Oostenrijker dit nodig heeft, om niet verder te moeten, niet door te gaan zoals dat in Duitsland wel is gelukt. Het grenst aan intellectueel masochisme.

“Zolang de Oostenrijker nog bruin bier en worst heeft, revolteert hij niet,” zei Ludwig van Beethoven, maar die had dan ook alle redenen om kritisch te zijn, de voorvaderen van zijn ouders kwamen uit Mechelen.

“In Oostenrijk wordt men slechts een grote man, als men iets buitengewoons niet doet,” typeert de Weense auteur, criticus en theaterdirecteur Egon Friedell. Hij sprong in 1938 uit het venster om tien uur ’s avonds toen twee SA’s hem thuis wilden arresteren. Hij riep “Pas op, uit de weg!” naar voetgangers onder hem voor hij sprong en stierf.

Oostenrijk heeft – in tegenstelling tot Duitsland – nooit geprobeerd systematisch de destijds vrijwillig weggetrokken (lees: gevlucht) of niet vrijwillig verstoten landgenoten terug naar huis te halen. Carl Djerassi, scheikundige en schrijver, hersenonderzoeker Eric Kandel en gelauwerd scheikundige Walter Kohn werden in 1938/39 uit Wenen verdreven. Hoewel ze af en toe om beroepsredenen naar hun thuisland terugkeren zeggen ze bijna in koor ‘volledige verzoening zal er nooit zijn’, hoewel de situatie zich iets heeft verbeterd. Maar het steeds opnieuw opduikende antisemitisme en vijandigheid tegenover vreemdelingen blijft hun grootste probleem.

“Voor ik sterf wil ik graag terug naar huis,” dichte Theodor Kramer, maar zodra hij effectief ook in Wenen terug was klaagde hij: “Slechts in mijn thuisland voel ik me eeuwig vreemd…”

De feestelijkheden zijn aan de gang. Oostenrijk viert vandaag. De stemmen van de redenaars op de radio klinken verdacht metaalachtig en hol, ze lijken te stammen uit een ver verleden. De tanks rollen, de helikopters vliegen, de fanfare speelt, de vlaggen wapperen. Ik blijf vandaag ver weg van de “Heldenplatz”. Het verleden ligt voor deze jonge natie te dicht bij.

Reacties staat uit voor De Oostenrijkse staat is een jaar jonger dan ik, en dat zal altijd zo blijven…

Opgeslagen onder De Standaard

Alle Belgen gelijk voor de wet?

Er was de laatste dagen nogal wat discussie ontstaan op de Standaard Online over de rol van de ambassades en hoe die met hun expats omgaan. Ik heb even gewacht, wat gestudeerd en gelezen, met wat mensen gesproken, en kan niet anders dan daar nog eens op terugkomen.

Op mijn zoektocht naar de definitie van de rol van bijvoorbeeld een Belgische ambassade in welk land dan ook, kom ik niet veel verder dan:

“De ambassade zorgt voor communicatie en onderhandelingen tussen de twee landen en voor culturele uitwisseling. Ook fungeert ze vaak als aanspreekpunt voor burgers van het thuisland die op dat moment in het gastland verblijven.”

Ik begrijp het deel over communicatie, een ambassadeur is iemand die bij machte moet zijn een standpunt over te brengen, zorgen uit te drukken, en zijn regering te vertegenwoordigen waar nodig. Ik versta ook het deel over onderhandelingen: als er zich dan al een wrijving voordoet tussen thuisland en gastland, moet een ambassadeur, in naam van zijn land, één en ander proberen te bewerkstelligen.

Waar ik compleet de mist in ga is het deel “fungeert VAAK als aanspreekpunt voor burgers van het thuisland.”

“Vaak” komt etymologisch van “vak” en is een bijwoord van frequentie. Betekenissen zijn: soms, dikwijls, veelvuldig.

Nu vind ik deze betekenis nogal vrijblijvend, want willekeurig. Wie beslist er over hoe “vaak” een ambassade als aanspreekpunt voor burgers van het thuisland optreedt, waarom en waarover de problemen dan mogen gaan? Betekent dit dat dit “aanspreekpunt” geen garantie is en dus afhankelijk is van hoe de ambassadeur heeft geslapen afgelopen nacht? Waarom staat daar niet dat de ambassade het onvoorwaardelijk aanspreekpunt is, het altijd te bereiken klankbord, de gegarandeerde overlevingsboei voor burgers van het thuisland? Een met gepassioneerde mensen bemand loket voor landgenoten die al zorgen genoeg hebben met het buitenland, zodat ze van dit plaatsvervangend binnenland toch een en ander mogen verwachten?

Als ik me niet vergis is de staat er voor de burger, en niet omgekeerd. In dit geval gaat de rede: vraag niet wat de staat voor u kan doen maar wat gij kunt doen voor de staat niet op, de belastingbetaler subsidieert deze buitenlandse vestingen en mag er dan ook alles van verwachten, lijkt me zo.

En ik loop in deze column op de tippen van mijn tenen, want als morgen de FPÖ aan de macht komt en ik me zo snel mogelijk in dekking moet stellen, dan heb ik graag dat de deur van dit stukje België in Wenen voor me open gaat en ik beschutting kan vinden. Dan heb ik die paar exterritoriale en onschendbare vierkante meter hard nodig. Dus ik schrijf braaf, en in overleg met de burgerzin die men in deze context van mij verwacht.

Ik ga hier dus niet in op de vraag waarom de vorige ambassadrice in Wenen, Mevrouw Christina Funes-Noppen het na enkele maanden voor bekeken hield. Anderen zeggen dat ze wat problemen had met ‘haar Duits’. Een landgenoot vroeg zich onlangs terecht af of men zoiets in Brussel niet had kunnen weten. Niet dus. Ik hoop dat haar Spaans wat beter is daar in Argentinië, dat ze zich daar echt gelukkig voelt en dat onze regering bij volgende benoemingen dit soort taalproblemen wat vroeger in beschouwing neemt. Spaart wat verhuisgeld. Maar ik heb daar verder geen mening over.

Ik ga ook niet in op de vraag waarom drie opeenvolgende ambassadeurs in Wenen Franstalig waren. Zowel Mevrouw Christina Funes-Noppen als de kersverse ambassadeur Claude Rijmenans hebben MR-signatuur maar dat zou zelfs niet belangrijk mogen zijn, dus zwijg ik erover. De ambassadeur in Oostenrijk en in Bosnië en Herzegovina is tevens Permanent Vertegenwoordiger van België bij het Bureau van de Verenigde Naties te Wenen, bij het IAEA en bij de Voorbereidende Commissie van de CTBTO, en heeft zijn pluimen op diverse posten in het buitenland al lang verdiend. En ik wil me hoe dan ook niet mengen in het gevestigd systeem van politieke benoemingen, onderlinge partijafspraken en het moeilijke evenwicht tussen wat goed is voor België en wat goed is voor onze (hoofdzakelijk Vlaamse) burgers in het Alpenland. Ik wil het daar helemaal niet over hebben.

Waar ik me wel vragen mag bij stellen is hoe gelijk Belgen zijn volgens de wetten van de ambassades in het buitenland. Vertrekkend van het principe “alle Belgen zijn gelijk voor de wet”, mag je verwachten dat een Ambassadeur die het met zijn landgenoten goed voor heeft alle burgers ook als gelijken beschouwt. Ambassadeur zijn mag dan al iets nobels hebben, een hard werkende Vlaming in het buitenland heeft ook zo zijn rechten, en onderscheidt zich – wat mij betreft – geenszins van de hardwerkende ambassadeur.

Een vriend die in een buurland van Oostenrijk woont wist me onlangs te vertellen dat op de dag van de Dynastie dit jaar niet alle Belgen door de Ambassade werden uitgenodigd voor een drink en een babbel. Hij wel, maar een paar van zijn vrienden niet. Ik ben er dit jaar in Wenen wel bij. En omdat de dag van de Dynastie op een zondag valt, is alles op 11 november gepland. Ik kijk er al naar uit en kom hier zeker nog eens op terug. De symboliek van 11 november in combinatie met de Dynastie… dat belooft.

Reacties staat uit voor Alle Belgen gelijk voor de wet?

Opgeslagen onder De Standaard