De Oostenrijkse staat is een jaar jonger dan ik, en dat zal altijd zo blijven…

26 oktober is altijd een bijzondere dag. Niet omdat het de Nationale Feestdag van de Republiek Oostenrijk is, maar vooral omdat deze Nationale Feestdag mij er elk jaar opnieuw aan herinnert wanneer ik aan mijn tweede leven ben begonnen dat zich – toeval oh toeval – in Oostenrijk afspeelt. Ik was in Zuid-Afrika op 26 oktober 2002 en soms slaat in een mens zijn leven de bliksem in. Sinds vijf jaar ben ik buitenlander in Wenen, een en ander om over na te denken.

En ik bevond me dit weekend in goed gezelschap. Alle kranten en tijdschriften in het Alpenland besteden hele katernen vol aan de ‘heimat’, hoe het met het land is gesteld, geven politieke beschouwingen en laten vooral, en dat is nieuw, niet-Oostenrijkers aan het woord die hier sinds korter of langer om welke reden dan ook al dan niet hun plek hebben gevonden, of juist omwille van hele duidelijke redenen het land hebben verlaten. Ik laat vandaag de anderen aan het woord. Mevrouw en Mijnheer Oostenrijk zijn dus 54, en ze zullen het geweten hebben.

Even kort en krachtig: Oostenrijk is eigenlijk een Republiek sinds 1918, maar heeft in 1955 door middel van het ‘Staatsverdrag’ haar definitieve nieuwe grenzen moeten aanvaarden. Daar begint de jaartelling van het nieuwe Oostenrijk dat in 1995 lid werd van de Europese Unie, in 2002 de Euro invoerde en in 2008 het Verdrag van Lissabon ratificeerde. Een jonge bruid dus, toch vanuit Europees perspectief.

Maar in het echt een oude taaie tante, diep in de burgers ingebakken, die met een steeds opnieuw opduikende nostalgie terugdenkt aan de gloriejaren, in gesprekken met mij meer bijzonder graag verwijst naar de tijd toen Vlaanderen behoorde tot de Oostenrijkse Nederlanden. Kwestie van ervoor te zorgen dat ik met de nodige nederigheid én onderdanigheid blijvend respect opbreng voor dit gereduceerd overblijfsel van de Habsburgse Dynastie.

Er zijn niet toevallig twee boeken verschenen deze week, totaal verschillend, echter met een gemene deler: ze beschrijven beide het ‘bizarre’ en het ‘absurde’ over Oostenrijk, dat waarschijnlijk deels aan deze ‘reductie’, deze amputatie van macht en territorium ten grondslag ligt. “Ach Austria – verrücktes Alpenland,” van Marion Kraske en “Dem Österreichschen auf der Spur,” van Charles E. Ritterband. Nee, ze zijn nog niet vertaald, aan het eerste begin ik binnenkort. De rode draad doorheen beide boeken gaat zo diep door de Oostenrijkse samenleving, dat men er stil van wordt. Maar het soort stil waarbij nogal wat wordt gelachen, gegrijnsd en gemeesmuild.

Christian Ankowitsch, cultuurredacteur van Der Standard, verliet beroepshalve Wenen in 1993 en trok naar Hamburg. “Ik dacht dat ik naar een andere stad verhuisde en alles over Oostenrijk wist,” zegt hij, “maar ik vergiste me drie keer op een rij.” Zeven jaar later, woont hij in Berlijn en is voor hem Oostenrijk nog altijd een ‘troebel beeld’ dat hij maar niet scherp gesteld krijgt. Vanuit Berlijn bekijkt hij de Oostenrijkse politiek  als iets waar hij zich liefst niet te veel zou willen mee bezig houden: omwille van de neiging naar provincialisme, het durend hervervallen in dezelfde zonden en de steeds weer opduikende haatgevoelens. En het is vele andere Oostenrijkers in het buitenland niet anders gesteld. “Ik heb me in mijn land vergist,” zegt hij, “want als het erom gaat wie staatsburger van mijn land kan worden, of wie dat NIET kan worden, gaat het over vele migranten. En om mijn eigen kinderen. Want hun moeder is Duitse en we zijn niet getrouwd, dus is er geen kans dat mijn kinderen ooit Oostenrijkse staatsburgers worden. En zelfs als dit voor mijn familie geen existentieel probleem is, wat voor vele migranten wel zo is, doet die koude houding van mijn land me pijn omdat het blijkbaar niet geïnteresseerd is zich als mensvriendelijke staat te profileren.”

‘Mensvriendelijkheid’ is geen gemiddelde karaktertrek van de Oostenrijker.

Zoals Lisa Bjurwald, een Zweedse journaliste die een beurs kreeg om in Wenen verder te studeren ervaart aan boord van haar Austrian Airlines vlucht naar wat ze denkt een soort beter gelegen, groter Stockholm te zijn: proper en met veel cultuur en meer dan een miljoen inwoners. Nieuwsgierig leest ze het on-board magazine waarin uitgebreid over een Oostenrijkse karaktertrek wordt geschreven: het klagen. Welk land wil zich zo in de kijker stellen?

De in het ‘Anschluss’-jaar 1938 in Wenen geboren filosoof Rudolf Burger, gekend voor zijn controversiële maar altijd sterk onderbouwde en kritische maatschappelijke en politieke essays over zijn geboorteland, gaat meestal een stuk dieper. “Oostenrijk is een klein dik land, buiten of aan de rand van het wereldhistorisch gebeuren, het is zelf geen acteur, houdt zich buiten conflicten omwille van haar ‘neutraliteit’. Dat vernauwt natuurlijk ook het zicht. En leidt tot zelfgenoegzame schijnheiligheid, met een lichte neiging tot hysterie.”

Neutraliteit als vlucht uit de realiteit.

Het woord “Wiedergutmachung” in de ruimere betekenis van het Nederlandse “schadeloosstelling” of het Engelse “restitution” was een Duits concept, waarmee de regering onder andere overlevenden van de Holocaust of werkkampen financieel compenseerde en daardoor een streep wou trekken onder het grauwe verleden, in de mate dat zoiets überhaupt mogelijk is. Maar het was de grondreden waarom een nieuwe Duitse staat een nieuwe start kon nemen, mensen verder konden met hun leven, een teken werd gegeven van schulderkenning waarna moeizaam aan verzoening kon worden gedacht. In Oostenrijk heeft dit nooit zo plaats gevonden, was en bleef alles meer tweespaltig, weerspiegelt het zoveel meer een houding van onderdrukte schuld die zich verstopt achter de rol van slachtoffer, omdat die leefbaarder is, draaglijker, maar waardoor ook niemand met zichzelf echt en volledig in het reine komt. Vergeving is een onmogelijk moeilijk idee, verwerking een werkwoord zonder einde. Alsof de Oostenrijker dit nodig heeft, om niet verder te moeten, niet door te gaan zoals dat in Duitsland wel is gelukt. Het grenst aan intellectueel masochisme.

“Zolang de Oostenrijker nog bruin bier en worst heeft, revolteert hij niet,” zei Ludwig van Beethoven, maar die had dan ook alle redenen om kritisch te zijn, de voorvaderen van zijn ouders kwamen uit Mechelen.

“In Oostenrijk wordt men slechts een grote man, als men iets buitengewoons niet doet,” typeert de Weense auteur, criticus en theaterdirecteur Egon Friedell. Hij sprong in 1938 uit het venster om tien uur ’s avonds toen twee SA’s hem thuis wilden arresteren. Hij riep “Pas op, uit de weg!” naar voetgangers onder hem voor hij sprong en stierf.

Oostenrijk heeft – in tegenstelling tot Duitsland – nooit geprobeerd systematisch de destijds vrijwillig weggetrokken (lees: gevlucht) of niet vrijwillig verstoten landgenoten terug naar huis te halen. Carl Djerassi, scheikundige en schrijver, hersenonderzoeker Eric Kandel en gelauwerd scheikundige Walter Kohn werden in 1938/39 uit Wenen verdreven. Hoewel ze af en toe om beroepsredenen naar hun thuisland terugkeren zeggen ze bijna in koor ‘volledige verzoening zal er nooit zijn’, hoewel de situatie zich iets heeft verbeterd. Maar het steeds opnieuw opduikende antisemitisme en vijandigheid tegenover vreemdelingen blijft hun grootste probleem.

“Voor ik sterf wil ik graag terug naar huis,” dichte Theodor Kramer, maar zodra hij effectief ook in Wenen terug was klaagde hij: “Slechts in mijn thuisland voel ik me eeuwig vreemd…”

De feestelijkheden zijn aan de gang. Oostenrijk viert vandaag. De stemmen van de redenaars op de radio klinken verdacht metaalachtig en hol, ze lijken te stammen uit een ver verleden. De tanks rollen, de helikopters vliegen, de fanfare speelt, de vlaggen wapperen. Ik blijf vandaag ver weg van de “Heldenplatz”. Het verleden ligt voor deze jonge natie te dicht bij.

Reacties staat uit voor De Oostenrijkse staat is een jaar jonger dan ik, en dat zal altijd zo blijven…

Opgeslagen onder De Standaard

Reacties zijn gesloten.