Tagarchief: 24 maanden

Seksueel misbruik in de kerk, een jaar later

Apache Newslab – Opinie – 13 april 2011

Het is ondertussen pijnlijk duidelijk geworden dat een jaar na het terugtreden van Roger Vangheluwe wegens seksueel misbruik op zijn neef, en zes maanden na het verschijnen van ‘Morgen is van mij, een antwoord op seksueel misbruik in de kerk’ , mijn voorspellingen in het boek één voor één zijn uitgekomen. Dat ik daaromtrent vooral ontgoocheling en geen greintje triomf voel, zal hopelijk niemand verbazen.

Nodeloos alle feiten, voorvallen, beslissingen, besluiten, uitspraken, weerspraken, debatten en verslagen te herhalen die sinds een jaar hun weg in de pers hebben gevonden… het enige positieve aan de hele situatie is precies dat de situatie ondertussen door iedereen gekend is.

Moe

Vanuit de kerk ontbreekt elk initiatief, vanuit justitie komen uitsluitend ontgoochelende berichten, de parlementaire commissie heeft zich met haar plan voor een arbitragestrategie afhankelijk gemaakt van de goodwill en medewerking van de bisschoppenconferentie. Een therapeutisch netwerk bestaat nog altijd niet.
De publieke opinie is moe, de pers is moe, de kerk inert, justitie speelt procedurespelletjes, slachtofferorganisaties sluiten de rangen niet, zelfs advocaten liggen overhoop omdat ze mekaar het licht in de ogen niet gunnen.

Ondertussen is Peter Adriaenssens overwerkt. Hij heeft alleen al voor andere familiale en misbruikdrama’s 48 uur per dag nodig. In zijn nawoord in mijn boek schreef hij:

Roel schrijft in zijn boek dat alles valse hoop is. Daar zou ik willen dat ik het niet met hem eens moet zijn. Daar mogen we het niet mee eens zijn. Die opdracht ligt nu bij ons allen. Om ons schaamtegevoel tot herkenning te maken.

Hij zou me vandaag, met tegenzin zo veel is zeker, over mijn voorspellingen van toen, over de hele lijn gelijk geven.

En Vangheluwe? Zijn toekomst is de enige toekomst die zeker is. Hij mag rustig oud worden in een klooster in de Loirestreek, hij blijft Monseigneur, blijft priester, blijft zijn inkomen ontvangen dat we via de staat met zijn allen voor hem verzekeren, en hij blijft uiteindelijk de meest gerenommeerde onbestrafte Belgische pedofiel.

Class-action

Het is voor een schrijver-columnist soms verschrikkelijk gelijk te hebben. Het is voor een slachtoffer echter nog erger te moeten besluiten dat de enige weg die nog open ligt, de harde, lange en pijnlijke weg is van een class-action. Een juridisch initiatief waarbij mensen die vergelijkbare schade werd toegebracht, gezamenlijk vechten om voor die schade erkend en vergoed te worden. En daar is niets immoreel aan. Een slachtoffer van een christelijke congregatie in België is even veel waard als een slachtoffer van dezelfde congregatie in Boston, en moet hier gelijkwaardig vergoed worden voor de aangerichte schade. Er mag geen selectieve schaamte zijn, er kan geen juridisch onderscheid worden gemaakt tussen het twaalfjarig kind dat door een priester in Amerika werd misbruikt en een twaalfjarig kind dat in een college in Antwerpen of Brussel werd misbruikt.

Wie niets doet, niet doorzet en uiteindelijk opgeeft, kan op termijn zichzelf niet meer in de ogen kijken. Niets doen is sterven, langzaam, maar zeker

Immoreel zou zijn, dat te willen verdedigen op basis van ‘andere landen, andere gebruiken’, omdat de argumentatie ‘andere landen, andere misbruiken’ niet opgaat. Want het is hetzelfde instituut dat ervoor verantwoordelijk is dat dit onrecht heeft kunnen plaatsvinden, heeft kunnen blijven duren, en flagrant werd genegeerd, nog altijd wordt ontkend, zoniet verstopt en verzwegen.

Maar wie gewoon in de woede blijft steken, is verlamd. Zoveel als angst verlammend is. Irrationele woede, de kwaadheid omwille van de kwaadheid, betekent al te vaak dat de dader van het misbruik nog altijd de bovenhand over het slachtoffer heeft, dat hij nog niet overwonnen is. En een slachtoffer dat het gevoel heeft er alleen voor te staan, kan maar weinig vooruitgang boeken. Media vermijden, al langer dan vandaag, die slachtoffers die uitsluitend door woede worden gedreven. Ook van slachtoffers wordt verwacht dat ze enige vooruitgang boeken.

Woede en angst

Warme lucht is het laatste wat we nu nodig hebben. En die blaast uit nogal wat richtingen de laatste tijd. Zij die werden misbruikt, verkracht en genegeerd, hebben er baat bij zich te laten vertegenwoordigen door mensen die bovenop troost en begrip, een duidelijke juridische weg afbakenen, binnen wat wettelijk en menselijk mogelijk is, met kennis en ervaring die aanvullend is, en daardoor de situatie van het slachtoffer uitklaren. Woede en angst zijn ook in de situatie waarin we ons bevinden, de grootste vijand van een oplossing en houden slachtoffers in een isolement waaruit ze zichzelf, dringend moeten bevrijden.

Robert, mijn vriend redacteur buitenland van het Oostenrijkse weekblad Profil, vroeg me onlangs wat nu de ‘situatie’ is in België omtrent misbruik en de kerk. Ik kon niet anders dan hem vertellen dat wat na zovele maanden overblijft, de enige strohalm is die ondertussen tachtig slachtoffers hebben vastgegrepen: zich aansluiten bij een class-action, een primeur voor België, tegen het instituut en haar verantwoordelijken waardoor het slachtoffers werd misbruikt. Want wie niets doet, niet doorzet en uiteindelijk opgeeft, kan op termijn zichzelf niet meer in de ogen kijken. En dat is precies wat we met zijn allen ondertussen al lang genoeg hebben gedaan. Niets doen is sterven, langzaam, maar zeker.

Roel Verschueren is journalist en auteur van ‘Morgen is van mij. Een antwoord op seksueel misbruik in de kerk’. Hij woont en werkt in Wenen.

Advertenties

Reacties staat uit voor Seksueel misbruik in de kerk, een jaar later

Opgeslagen onder Apache Medialab

Paus in de lift

Verschenen in De Standaard, 7 juni 2010

Het was een drukke dag geweest en ik wou zo snel mogelijk naar mijn kamer. Een late namiddag in Rome, op het nippertje nog een hotel gevonden niet al te ver van het Sint-Pietersplein, iemand die deze dagen – voor welke reden dan ook – in de buurt van het Vaticaan wil rondhangen, stelt vast dat in Italië de toeristische sector nog geen crisis kent. Ik wist dat het kamertje van vier op vier haar prijs niet waard was, maar wat doet een mens al niet voor een artikel.

Toen de enge lift tussen twee verdiepingen met een knerpende ruk bleef stilstaan, hoorde ik de man die achter me stond “Scheiße” zeggen. Ik keek vluchtig om, maar zocht snel de alarmknop en drukte. Er klonk één hol belsignaal, precies zoals ik me dat herinner van tram 7 die me in Gent naar school bracht en zijn halte verliet. Eén bel, ergens onder ons, hopelijk dicht genoeg bij de dikke man achter de kleine receptiedesk die daarnet nog ongestoord zijn krant zat te lezen.

Ik keek om en zag iemand die me in dit verre Rome niet als onbekend voorkwam. Die witte haren, de hese hoge “Scheiße”, zijn ouderdom, “Herr Ratzinger?” vroeg ik op goed geluk. Nou ja, geluk, ik zat nu niet bepaald op de Paus te wachten deze dagen, ik had de hele dag een lang gesprek met iemand die niet zo op hem gesteld was en dat laat natuurlijk ook sporen na.

Toen iemand van beneden iets naar boven schreeuwde, lachte de man kort en zei in het Duits: “Hij stuurt een technieker, maar er is veel verkeer. Ik hoop dat u geen dringende afspraak hebt?” Die had ik wel, met een dunne straal lichtbruin water uit de kleine douchekop en met het harde matras met groezelig dekbed.

“Roel,” zei ik en stak mijn hand naar hem uit. “Joseph,” zei hij en schudde wat oesterig en te lang. Toen ik hem vroeg of hij een dubbelganger was, mompelde hij dat een Paus niet mag liegen. Hij tekende met zijn duim een kruisje op de vier houten wanden van de liftkooi. “Biechtgeheim,” zei hij, “ik ben op weg naar mijn vrouw op kamer 31. Die is voor kort uit Duitsland overgevlogen om even bij te praten, en omdat Ursula nogal een grote mond opzet en het Vaticaan grote oren heeft…”

“Biechtgeheim heeft voor mij geen betekenis,” zei ik. “Trotzdem,” antwoordde hij op zoek naar een barst, een teken van vertrouwen, of wat daarvoor moest doorgaan. Ik moest kort leunen, scherpte mijn blik en pijnigde mijn hersenen… ik werd hier bijna zeker in de maling genomen.

“Uw vrouw?” vroeg ik. “Ja, ze stond vandaag op het Sint-Pietersplein, ik zag haar in het nieuws tussen alle andere vrouwen van priesters die opkwamen voor hun rechten. Ik had nochtans gevraagd dat niet te doen, maar wie ben ik?” Hij trok zijn neus op en vroeg: “En wat brengt u naar Rome? Uw geloof of uw niet geloven? Stoort het als ik even ga zitten?”

Hij klapte een stoeltje van de andere wand van de lift naar omlaag en liet zich zakken zoals alleen een oude, oververmoeide man dat kan, met een zware zucht na het neerkomen. “In zwart kostuum, zo zonder ornaat, zou u om het even wie kunnen zijn, ware het niet dat u zich de jongste maanden nogal in het nieuws hebt gewerkt,” zei ik. Hij keek me waterachtig aan en knikte. “Ik mis de schaduw,” zei hij zacht, “de lommerte van mijn studeerkamer en mijn boeken. Hoe veel kan een oude geestelijke zoals ik nog aan. Oostenrijker?” vroeg hij.

“Vlaming in Wenen,” antwoordde ik en liet me op de bodem van de lift zakken. Ik stond snel weer recht, ik wou niet moeten opkijken, daarvoor ontbrak me het respect. Toen ik na een korte stilte nogmaals op de gele knop drukte begon hij te lachen. “Maakt geen verschil, alles heeft zijn beloop, daar kan u, ja zelfs ik niets aan veranderen.”

“Het is dit ‘zelfs ik’ dat u gebruikt waarin het hele probleem gebakken zit,” zei ik, “ik hoop dat u dat begrijpt?” Hij dacht even na. “Ik voel wel dat u me niet mag, en daar hebt u waarschijnlijk alle redenen voor, maar kunnen we elkaar niet tutoyeren, de ruimte is te klein voor “u”, straks gaat de zuurstof nog uit aan “u”. Ik schreef in gedachten het woord “Paus” in mijn volgende column met een kleine “p”, die gedachte beviel me wel, ik had het eerder moeten doen. “Ik begrijp de haat, geloof me, ik begrijp de haat die ik op deze vierkante meter samen met jou moet inademen.” De paus had niet op mijn antwoord gewacht, misschien doen pausen dat niet, uit angst dat het antwoord hen niet bevalt.

“U zegt dat u de haat begrijpt,” zei ik, “waarom horen we dat dan niet? Waar blijft die verschrikkelijk luide schreeuw van verontwaardiging, de woede-uitbarsting die tot actie leidt? Waar blijft de nieuwe nederigheid, de hervorming waar de basis van de kerk om smeekt? Waar blijft een geloofwaardige volledige zuivering van het apparaat waar u aan het hoofd van staat? Waar blijft het antwoord op de vragen van de overlevers?”

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, haalde een nicorette uit zijn vestzak en bood er mij een aan. “Ik ken het leed van de slachtoffers waarover je spreekt,” antwoordde hij en slikte wat overvloedig speeksel weg. “Dat kent u niet.” Het tutoyeren lukte me niet. “Het zijn overlevers,” zei ik, “want de slachtofferrol hebt u zichzelf toebedeeld, door te proberen uit te leggen hoe het zover is kunnen komen en daarvoor begrip te vragen, door te spreken over ‘andere tijden’, door te proberen het gewicht van de kerk te minimaliseren en te claimen dat het in gezinnen veel erger is, veel vaker voorkomt, dus dat het in uw kerk nog zo erg niet is. Door geen concrete voorstellen tot compensatie te formuleren, door het onderzoek naar alle gevallen binnen eigen commissies te organiseren, door geen openheid te geven in alle dossiers en daders op een gepaste manier uit de kerk te verwijderen.

“Ik heb met slachtoffers gepraat,” zei hij luider. “Maar hebt u er ook naar geluisterd?” vroeg ik. Hij vroeg of ik dan precies wist wat ze willen? Of ik een duidelijke lijn zag in hoe ze geholpen wilden worden? Ik nam een in vier gevouwen blad uit mijn binnenzak en gaf het hem. Hij nam een bril en begon te lezen. “Excuses van de paus als hoofd van de kerk,” en las stil verder. Dan weer luidop “Excuses van de paus als Vaticaans staatshoofd,” gevolgd door stilte, “Openbaar maken van alle dossiers,” mmm, “Kerkelijk Recht ondergeschikt…”, “Burgerlijke meldpunten onder de controle van het gerecht….”, hij las zo’n vijf minuten in stilte verder. Hij vouwde het blad zorgvuldig langs de vouwlijnen dicht en stak het in zijn binnenzak zonder te vragen. Hij vroeg zich af waarom hem niemand ooit zo’n lijst gegeven heeft. “Wanneer heeft u er dan ooit naar gevraagd?” vroeg ik.

“En aan hoeveel klachten zitten jullie ondertussen in België?” vroeg hij en stak zijn bril weg. “Volgens mijn gegevens uit alle meldpunten, ook die buiten de Commissie, aan 951,” zei ik.

“Hoe tel je?” vroeg hij.

“Correct,” zei ik. Hij keek lang in mijn ogen en boog uiteindelijk het hoofd.

De lift schoot kort omhoog. “Elk beetje beweging in deze situatie is welkom,” zei de paus. “Zo is het met alles. Weet je dat Simenon ooit met Hitler in dezelfde Parijse lift zat?” vroeg ik.

“Ik hoop dat je daar niet te veel parallellen uit trekt?”

Ik zei dat ik mezelf nooit op het niveau van Simenon zou durven inschatten, en  hoewel hij begreep wat ik bedoelde, stak hij zijn hand uit en zuchtte: “Ik moet hier eens rustig over nadenken, maar onmogelijk is jouw lijstje niet.” Ik zei dat hij dat beter niet te rustig zou doen. Dat al te veel tijd is verlopen en de situatie er niet beter op wordt.

“Na het WM,” zei hij, “na het WM, ik krijg eerder niet al mijn mensen bijeen, ik moet hen ook wat rust gunnen. Kom je op 1 oktober ook betogen op het Sint-Pietersplein?” Ik zei dat ik zeker in de buurt zou zijn. “Goed, dan zien we elkaar hopelijk nog eens.”

Toen eindelijk de liftdeuren opengingen stapte hij diep voorovergebogen de gang in. Aan deur 31 draaide hij zich kort om. Hij haalde het papier uit zijn binnenzak en stak het als afscheid in de lucht. “Wanneer verschijnt het?” riep hij.

“Hopelijk voor het WM!”

Ik liet zijn biechtstoel voor wat hij was en nam de trap naar mijn verdieping. Te veel lift in Rome is voor niemand goed!

P.S. Op 11 juni 2010 (vier dagen na het verschijnen van deze column) vroeg de paus in naam van de kerk vergiffenis voor het pedofilieschandaal tijdens een eucharistieviering in aanwezigheid van 15.000 priesters op het Sint-Pietersplein in Rome.

P.P.S. Op 28 februari 2013 trad deze paus af. In de hoop hem snel te vergeten.

Reacties staat uit voor Paus in de lift

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

Ich habe heute die heilige Maria gesehen…

Ich habe heute die heilige Maria gesehen. Die Jungfrau, meine ich. Sie mich auch. Ich war gerade auf dem Weg zum Supermarkt, wie meistens am Freitagnachmittag, eingemummt in Schal und eine dicke Jacke. Im Winter muss sich der Mensch schützen. Überall lauern Gefahren: die Schweinegrippe, eine schleichende eitrige Angina oder die Vorboten einer Lungenentzündung. Die Verantwortung für den eigenen Körper nimmt mit dem Alter zu.

Sie war mir nicht gleich aufgefallen, wie sie da so stand, etwas abseitig im Windschatten des Portals, gelehnt an die Glaswand, die bei jedem Öffnen der automatischen Schiebetür ein paar Millimeter nachgab und vibrierte. Ich habe sie wahrscheinlich deshalb nicht sofort erkannt, weil sie normal gekleidet war, nicht so, wie ich es von der Maria erwartet hätte. Kein edles, langes blaues Leinenkleid mit goldener Bordüre, keine zarten Sandalen aus hellbraunem Leder, die sonnengebräunte Füße umschließen, kein hauchdünner Seidenschal, der die schwarzen Locken verbirgt. Es ist Winter!

Es war die Aura, die mich ergriff. Nicht dieser schwebende Kranz, nicht der goldene Heiligenschein, nicht die Suggestion von Heiligkeit, die man von den Bildern kennt. Am Eingang zum Supermarkt hatte sie keine Aura. Sie war Aura. Ganz und gar Aura.

Ich schätzte sie auf ungefähr achtzehn, obwohl ich weiß, dass der Altersunterschied auch das Einschätzungsvermögen beeinflusst. Ein Mann meines Alters hat Bezugspunkte, Freundinnen, Töchter, Freundinnen von Töchtern, und lässt sich mehr vom Gefühl leiten. Der Verstand kommt an zweiter Stelle. Irgendwie hatte die Situation plötzlich etwas Unbehagliches, für mich jedenfalls. Ich war es, der sie schon mehr als eine Minute lang anstarrte, und das ist ganz schön lange für einen älteren Herren, der ein Mädchen fixiert, das seine Tochter sein könnte. Sie schien das allerdings nicht zu stören. Ihr offener Gesichtsausdruck und der warme Blick, aus dem die reine Unschuld sprach, ihre Haltung, die keinerlei Erwartung ausdrückte, und die Selbstverständlichkeit, mit der sie da in ihrer Ecke stand, fast schon lässig, wenn ich dieses Wort im Zusammenhang mit einer Heiligen verwenden darf. Ich war der Voyeur. Sie könnte das niemals sein.

Ich ging etwas verwirrt durch die Glastür, warf noch einen kurzen Blick zurück, steckte einen Euro in den Schlitz des Einkaufswagens und öffnete den Reißverschluss meiner Jacke. Die Warmluftanlage brachte mich zurück zu meiner Einkaufsliste, und ich füllte schnell und systematisch meinen Wagen. Ich kenne das Prinzip, nach dem die Regale eines Supermarkts gefüllt werden.

Zuerst war es wie ein Schock, irgendwo zwischen den Waschmitteln und den Windeln zu begreifen, dass ich unbewusst doch eine Vorstellung von Maria gehabt habe, bevor ich ihr bei lebendigem Leibe begegnet bin. Irgendwo hat sich bei mir ein Bild eingeschlichen, das ich nicht abgewehrt habe. Ein Bild von der angeblichen Mutter Gottes, des Gottes, der so weit weg ist, des theoretischen Sohns, über den ich gerne diskutieren will, über den ich alles lese, was geschrieben wird, aber auch des Gottes, der reines Objekt ist, Akkusativobjekt vielleicht, aber das ist schon alles. Religionsbekenntnis ist etwas für andere.

Maria ist okay. Sie wäre noch in Ordnung, speziell so, wie sie da am Eingang stand. Dieses Bild ist nicht unangenehm, die junge Frau hat schon was – die Aura, meine ich, die ich heute wahrgenommen habe.

Ich kam nicht weiter mit meinen Einkäufen. Eine Einkaufsliste klingt während des Einkaufs ganz anders als zu Hause beim Schreiben. Brauche ich tatsächlich all diese Dinge oder komme ich lieber noch mal, wenn es wirklich nötig ist? Küchenrollen sollte ich einige in Reserve haben und auch Toilettenpapier ist schnell abgerollt, aber weniger genügt auch. Vielleicht essen wir morgen ja in einem Restaurant und ich brauche gar nicht, was ich jetzt so alles vor mir her schiebe?

Woher plötzlich diese Zweifel? Ich zweifle selten, schon gar nicht bei den allwöchentlichen Einkäufen am Freitag. Doch heute überfielen mich die Zweifel, die ich mit nichts anderem in Verbindung bringen kann als mit Maria.

Mariologie ist nicht meine Stärke, aber trotzdem kann ich sagen, dass ich sie kenne. Sonst hätte ich sie nicht erkannt. Zwischen den Konserven und dem Hundefutter hatte ich freie Sicht auf ihren Standort. Sie hatte ihr linkes Bein angezogen und stützte den Fuß unachtsam an der Mauer ab. Obwohl ich Maria eigentlich nicht unachtsam nennen möchte. Eine Frau, die eine Josefsehe eingeht, weiß, was sie tut. Die hat nachgedacht, berechnend oder auch nicht, aber die steht nicht lässig mit angezogenem Bein an der Mauer eines Supermarkts.

Ob sie mir über Gott erzählen dürfe, fragte sie, nachdem ich bezahlt hatte. Sie stand kerzengerade da, ließ zwei perfekte Zahnreihen aufblitzen und strahlte eine Ruhe aus, die ich schon lange nicht mehr erlebt hatte. Die Luft, die wenigen Zentimeter Abstand zwischen uns, vibrierte, ich konnte die schweren Einkaufstaschen nicht mehr halten und stellte sie langsam neben mir auf den Boden. Sie sog meinen Blick auf und betäubte meine Gedanken.

„Darf ich mit dir über Gott sprechen, nur ganz kurz?“

Sang sie oder sprach Maria immer so?

„Über deinen Sohn?“, fragte ich zögerlich.

„Wenn du es so sehen willst, erzähle ich dir gerne von meinem Sohn“, sagte sie freundlich.

Warum sie ein Bedürfnis danach habe, fragte ich und versuchte, eine Haltung anzunehmen, die der heiligen Maria angemessen ist.

„Vielleicht hast ja auch du ein Bedürfnis danach“, sagte sie ohne Fragezeichen am Ende ihres Satzes. Gab es etwas an mir, was dies vermuten ließ? Hatte ich heute Morgen im Spiegel etwas übersehen, das für Maria ein Zeichen war, mich anzusprechen? Vielleicht sah sie, dass ich müde war oder dass ich die Trivialität eines Einkaufs an einem stressigen Freitagnachmittag erkannte, aber das ist doch noch kein Grund, mit mir über Gott zu sprechen. Oder sah sie Dinge, die ich noch nicht wusste? Es gibt schließlich Seher, sie blicken dir kurz tief in die Augen und sagen, dass du in Kürze sterben wirst. Krebs oder Leberzirrhose, Herzinfarkt oder Gehirnblutung – ab einem gewissen Alter, weißt du…

Ich hatte auf jeden Fall kein Bedürfnis danach. Ich spreche selten über Gott, eigentlich nur, wenn man mich danach fragt. Wie damals, als ich meinen Meldezettel in dem stark frequentierten Büro im fünften Stock des Bezirksamts in Wien ausfüllte und gebeten wurde, auch noch mein Religionsbekenntnis einzutragen. Damals dachte ich kurz an Gott, ganz kurz nur, eher um ihn auszuschließen denn als Option.

„Gott ist keine Option“, sagte sie freundlich, aber bestimmt.

Nein, Gott ist keine Option. Ich war überrascht, dass sie wusste, woran ich dachte, aber ich war auch ganz klar ihrer Meinung.

„Ein Sohn ist keine Option“, fuhr sie fort, „er wird geboren, wächst, fällt und steht wieder auf, wird erwachsen und stirbt. Mit Ausnahme von einem.“ Wie ein Wort für verschiedene Menschen eine unterschiedliche Bedeutung haben kann, dachte ich, während ich die Einkaufstaschen hochhob und an ihren jung verstorbenen Sohn dachte. Ich nannte ihr meinen Namen, sagte, dass wir einander wahrscheinlich immer in allem missverstehen würden, und wünschte ihr einen schönen Abend. „Tiefkühlprodukte“, fügte ich noch hinzu und deutete mit meinem Kopf auf die Tasche in meiner linken Hand. Ich wartete, um zu sehen, ob sie noch etwas zu vergeben hatte. Eine Zeitschrift oder ein Obdachlosenblatt, den Wachturm oder einen Segen, meine Sünden vielleicht. Sie schenkte mir ein mildes, warmes Lächeln.

Als ich mich nach drei unsicheren Schritten kurz noch einmal umdrehte, war sie verschwunden. Zwei Straßen weiter steckte ich gerade den Schlüssel in die Haustür, als jemand hinter mir fragte: „Haben Sie vielleicht meine Mutter gesehen?“ Ich drehte mich erschrocken um, aber ich sah niemanden. „Sie stand eben noch am Supermarkt”, sagte ich laut zu ‚Niemand‘ und nahm den Aufzug nach oben. Als die Aufzugstür einschnappte und sich die Kabine nach oben zu bewegen begann, schien es, als ob sie niemals mehr anhalten würde.

Reacties staat uit voor Ich habe heute die heilige Maria gesehen…

Opgeslagen onder Kolumnen auf Deutsch