In naam van de lotgenoten

Roel Verschueren is een Vlaamse publicist die in Wenen woont. Tijdens de afgelopen maanden schreef hij voor de kranten ‘De Standaard’ en ‘De Tijd’ columns over het seksuele misbruik van kinderen door Europese geestelijken. In zijn boek ‘Morgen is van mij’ heeft hij het nu ook over zijn eigen ervaring met misbruik.

‘Wie op zoek is naar sensatie, heeft het verkeerde boek in de hand’, luidt de eerste zin van uw voorwoord. 
Daar wilde ik meteen geen twijfel over laten bestaan. Op de columns die ik voor ‘De Standaard’ en ‘De Tijd’ schreef, kreeg ik veel reacties. Zo leerde ik de specifieke verhalen kennen van vijf slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken. Eén van hen is een ‘onrechtstreeks’ slachtoffer: haar broer heeft zelfmoord gepleegd. Aan de andere kant gebruik ik als motto voor het boek een citaat van Wittgenstein: ‘Alles wat uitgesproken kan worden, kan duidelijk uitgesproken worden.’

Toch stoort het u dat de media gretig op zoek blijven naar persoonlijk getinte verhalen, het liefst zonder schuilnaam, én met een foto erbij?
Ik begrijp dat iedereen zijn rol te vervullen heeft in dit debat. Maar sinds de voorstelling van het verslag van de commissie-Adriaenssens heeft het publiek toch al kennisgemaakt met zulke persoonlijke verhalen. En mensen als Sam Deurinck en Jan Hertogen hebben een gezicht gekregen, omdat ze er blijkbaar klaar voor waren om zichzelf te outen. Nu komt het er vooral op aan dat we als samenleving een volgende stap zetten.

Cruciaal voor de storm die de Kerk momenteel meemaakt, blijft voor u het initiatief van de jezuïet Klaus Mertes, hoofd van het Berlijnse Canisiuscollege.
Eind vorig jaar besloot hij de school waarvoor hij verantwoordelijk is, op te kuisen. Zijn uitgangspunt was: ‘Ik kom tot de vaststelling dat hier, vóór mijn tijd, dingen gebeurd zijn die ik niet kan vatten. Ik wil ooit de fierheid hebben om te zeggen dat iedereen die op deze school misbruikt is, zijn verhaal heeft kunnen doen en dat we samen naar een oplossing hebben gezocht.’ Meer dan welke bisschop ook heeft Klaus Mertes een mea culpa geslagen. Die nederigheid vond ik groots. Toen hem werd gevraagd of hij woedend was op de daders, antwoordde hij: ‘Niet zozeer op hen. Ze zijn me veel te vreemd. Maar het zwijgen, het wegkijken maakt me woedend.’ Vanaf dat moment ben ik me in de problematiek van het seksuele misbruik door geestelijken gaan verdiepen. Ik ging research doen: eerst over de situatie in Duitsland, later over die in Oostenrijk en Nederland.

Uiteindelijk vielen ook de dominostenen in België. Dat was onvermijdelijk?
Natuurlijk. Waarom zou ons land een uitzondering zijn? (schamper) Omdat de moedermelk hier zuiverder is? Omdat de Kerk hier alleen bewezen niet-kandidaat-kinderschenders tot het priesterambt toelaat? Nadat ik in maart mijn eerste column over het onderwerp had geschreven, kreeg ik al snel heel wat reacties. Dat was nog vóór de zaak Vangheluwe. Nadien is de respons alleen maar toegenomen.

In uw boek benadrukt u dat de slachtoffers geen homogene groep vormen.
Wie dat veronderstelt, maakt een zware denkfout. Het is een verzameling van mannen en vrouwen – verscheurde zielen, zeg maar – die elk hun eigen lijden hebben meegemaakt. Het enige gemeenschappelijke is dat ze nu samen onder de noemer ‘slachtoffer’ worden geplaatst. De grote uitdaging luidt: hoe krijg je zo’n heterogene groep georganiseerd? Momenteel bevinden we ons nog in een chaotische toestand. Dat is normaal, dat kun je nagaan bij soortgelijke kantelmomenten in de geschiedenis. Minister Vandeurzen roept dat hij een initiatief voorbereidt, Stefaan De Clerck wil de verjaring bekijken… Vanuit diverse hoeken worden dus impulsen gegeven, alleen hoop ik dat alles straks op een meer gecoördineerde manier verloopt.

De afstandelijke manier waarop aartsbisschop Léonard reageerde op het verslag van de commissie Adriaenssens, ontlokte Stefaan De Clerck de bedenking: ‘Léonard is een intellectueel, maar veel gelovigen hebben het moeilijk om zijn rigiditeit te plaatsen.’
In nogal wat media heb ik kunnen lezen dat Danneels en Léonard elk hun eigen manier van handelen hebben, elk een specifiek taalgebruik hanteren. Maar laten we toch vooral niet vergeten dat ze allebei onder de enorme invloed van het Vaticaan staan. Geen van beiden heeft tot nog toe een stap gezet zonder eerst naar de nuntius te luisteren. En die nuntius komt met de dwingende adviezen vanuit Rome. Zolang de stemming daar niet verandert, moeten we geen radicale ommezwaai bij onze kerkelijke hiërarchie verwachten. Terwijl de slachtoffers juist op duidelijke signalen blijven hopen.
Wat moet er volgens u in de eerste plaats gebeuren?
Een politicus die zegt dat de verjaring moet verlengd worden met een aantal jaren, gaat niet ver genoeg. Ik vind dat – wegens de omvang en ernst van deze zaak – de verjaring uitzonderlijk helemaal moet worden afgeschaft. Wie ooit een kind heeft misbruikt en vandaag nog leeft, of wie weet had van zo’n misbruik en dat heeft verzwegen, moet zijn straf krijgen. Hoe zwaar die straf hoort te zijn, is aan het gerecht om uit te maken.
‘Slachtoffers vragen niet dat de hele Kerk zou boeten’, noteert u. ‘Ze zijn niet op alle geestelijken kwaad. Ze vragen dat de daders en verzwijgers uit de Kerk verwijderd zouden worden.’
Mag ik even een link leggen met mijn persoonlijke verhaal? Van het eerste leerjaar in het lager onderwijs tot het tweede middelbaar heb ik bij de jezuïeten school gelopen. Toen heb ik me bewust laten zakken. Dat was de enige manier om weg te raken van de onderwijsinstelling waar ik door die pater was misbruikt. Maar daarom kan ik toch niet kwaad zijn op die héle school? Hoe graag ik daar ook mijn humaniora had afgemaakt.


De stille loyaliteit
Aan het seksuele misbruik door ‘De Haas’, de bijnaam van de pater in kwestie, besteedt u slechts vier pagina’s, omdat het u inderdaad niet te doen was om sensatie. Maar het zijn wel heel wrang geschreven bladzijden: ‘Ik moest maar heel even blijven, het zou zo voorbij zijn. Hij nam zijn rode balpen en hij leunde met zijn ronde hoofd over mijn linkerschouder om te kijken naar het blad voor ons terwijl hij mij op zijn schoot trok. (…) Hij begon te neuriën terwijl hij zich met afgemeten bewegingen tegen mijn lichaam aandrukte. Dan zag ik zijn balpen naar de linkerzijde van de kleine nul gaan. De Haas vroeg gemaakt plagend of het streepje naar boven moest of aan de rechterkant van de nul naar beneden. Een zes dan wel een negen maakte voor mijn moeder ontzettend veel uit. En niet in het minst voor godsdienst en Latijn.’
Ik heb het thuis nooit verteld. In 2008 heb ik het wel even fictief verwerkt in mijn roman ‘Zwijg als je praat’, een boek over een andere thematiek: gezinnen met een collaboratieverleden. Pas een paar weken geleden, in het vooruitzicht van het verschijnen van ‘Morgen is van mij’, heb ik mijn moeder – ze is 88 – voorzichtig duidelijk gemaakt wat me op die school is overkomen.

U blijkt niet het enige slachtoffer dat zijn ouders er nooit mee heeft willen belasten.
Zo zijn er inderdaad velen geweest. Dat moet je zien in de maatschappelijke context van toen. Veertig, vijftig jaar geleden bestond er nog geen cultuur waarin er tussen ouders en kinderen openlijk over seksualiteit werd gepraat. Om nog te zwijgen over andere kenmerken van die tijdgeest. De mensen waren superkatholiek en hadden het beste voor met hun kroost: ze werkten zich te pletter om hun kinderen toch maar te kunnen laten studeren, iets waar ze zelf niet of nauwelijks de kans toe hadden gehad. Dat besefte je zelf als kind ook maar al te goed. Dus zweeg je, uit een soort loyaliteit. Bovendien zat je ook met de vraag of ze je überhaupt zouden geloven. Het was allesbehalve vanzelfsprekend om je ouders te vertellen dat de priester – de man naar wie ze zo opkeken – zich aan jou vergrepen had.

Zitten nu niet heel wat geestelijken-op-leeftijd met een grote schrik dat ze, op de valreep, nog met hun daden zullen worden geconfronteerd?
Ik hoop het. Laat ze maar eens goed met de schrik zitten. Angst kan namelijk een katalysator zijn om eindelijk eens tabula rasa te maken met je foute verleden. Op een bepaald moment komt zo iemand misschien tot het besef dat hij maar beter alles opbiecht. Dan is hij tenminste van zijn angst af.

Auteur Oscar van den Boogaard liet zich in een column in ‘De Standaard’ ontvallen: ‘Ik ben blij met mijn katholieke opvoeding, hoe schijnheilig die ook was.’
Zelf kwam ik eerlijk gezegd vroeg – als tiener al – tot de vaststelling dat het geloof niks voor mij was. Dat staat los van wat er met die pater gebeurd is. Ik heb het geloof niet nodig om gelukkig te zijn. Maar ik respecteer wie dat in zijn leven wél noodzakelijk acht.
Veel latere relaties van seksueel misbruikte jongens en meisjes zijn afgesprongen op het onderwerp misbruik, schrijft u: ‘Partners die de rollercoaster aan gemoedswisselingen niet meer konden verdragen, of definitief wilden ontsnappen aan de repetitieve en alsmaar diepere depressies van hun misbruikte partner.’
In dat opzicht heb ik meer geluk gehad dan andere slachtoffers. In mijn relaties ben ik altijd meteen eerlijk geweest over wat me is overkomen, zonder de partner ermee te willen belasten. Ik heb ook nooit therapie moeten volgen.

Voelt u zich een ander mens nu uw boek in de winkels ligt?
Ik hoop in de eerste plaats dat het iets bijdraagt tot het evolueren van het maatschappelijke debat in de juiste richting. En lotgenoten wilde ik met de titel duidelijk maken: er is een fundamenteel verschil tussen zeggen ‘Ik ben een slachtoffer’ en ‘Ik was een slachtoffer’.
‘Morgen is van mij’ van Roel Verschueren verscheen bij de uitgeverij Lannoo.

Reacties staat uit voor In naam van de lotgenoten

Opgeslagen onder Interviews

Reacties zijn gesloten.