Maandelijks archief: november 2009

Het nieuwe Oostenrijkse virus heet Jane Bürgemeister

Ze is de dochter van een Ierse moeder en Oostenrijkse vader met Umlaut, ik schat ze veertig. Ze ziet er wat burgerlijk uit, heeft kort haar, randen onder de ogen en te veel lippenstift op haar volle lippen. Ze zit dag en nacht achter haar computer van waaruit ze de ondertussen meest gelezen en meest geloofde samenzweringstheorie verkondigt die in Cyberspace en ver daarbuiten door een gigantische schare goedgelovigen wordt gevolgd, gesteund en gevoed.

Sociologen noemen het fenomeen “Hightech-Paranoia”.

Haar paranoia is uiteindelijk een eigen leven gaan leiden. Het gaat over het feit dat de WHO het levende vogelgriepvirus aan Baxters dochterbedrijf in Oostenrijk heeft geleverd, dat vervolgens door Baxter werd gebruikt bij de productie van 72 kilo vaccin in februari 2009. Baxter zond dit bewust besmette product vervolgens naar 16 laboratoria in vier landen, waardoor er bijna een wereldwijde pandemie werd veroorzaakt. Omdat Baxter zich verplicht moet houden aan zeer strenge veiligheidseisen, kan de besmetting, productie en verspreiding van het met het gevaarlijke vogelgriepvirus besmette materiaal nooit een ongeluk zijn geweest. Medewerkers van een lab in Praag ontdekten de besmetting en sloegen alarm. Baxter spreekt van “menselijke, technische en proces gerelateerde fouten.”

Bürgemeister springt op het verhaal.

Waar ze zich aanvankelijk toespitst op mank lopende veiligheidsprocedures in de farmaceutische industrie, evolueert haar onderzoek in de richting van een samenzwering. In interviews die ze – tot voor kort – nog bereid was te geven, is vast te stellen dat Bürgemeister langzaam maar zeker een fobie ontwikkelt die rechtstreeks ontaardt in een samenzweringstheorie.

Op haar website, in video’s die ze zelf laat maken, in folders en vlugschriften waarschuwt ze de wereld voor een door de WHO, UN, vrijmetselaars, Bilderbergers en Illuminati gesmeed complot om tot 80% van de wereldbevolking uit te roeien door middel van verplichte inentingen van besmette vaccins tegen griep. Motief is de schaarste aan grondstoffen. Deze groep samenzweerders heeft zich als doel gesteld de wereldbevolking drastisch te reduceren tot een “aanvaardbaar” aantal, zodat een nieuwe frisse planeet ontstaat, bijna teruggebracht tot haar “oertoestand”.

En achter dit alles gaat – anders was ze geen Oostenrijkse – een Joodse samenzwering schuil mede gevoed door de bankiersfamilie Rothschild. Haar overtuiging dat Joden boosaardig zijn geldt voor Bürgemeister als basis van haar samenzweringstheorie.

Ze ondernam juridische stappen, formuleerde aanklachten tegen onder andere Baxter, Avir Green Hills Biotechnology, media in Oostenrijk die haar slecht afschilderen, de Bondskanselier, George Bush, zelfs Obama ontkomt niet aan de verbetenheid waarmee ze probeert haar door bijna waanzin gedreven opdracht om deze samenzwering te ontmaskeren tot een goed einde te brengen. Voor het te laat is. Te laat is het binnen een paar maanden, als de regeringen de burgers bij WET zullen verplichten zich te laten inenten met een gecontamineerd vaccin.

Als krimi ware dergelijk verhaal nog verteerbaar. Dat de dame vanuit haar woning in Wenen ondertussen de krimi tot non-fictie heeft verheven is in goedgelovig cyberspace niet meer te stoppen. Men kan zelfs via haar website een donatie overmaken, zodat de “Hightech-paranoia” ongestoord zou kunnen verdergaan.

Reacties uitgeschakeld voor Het nieuwe Oostenrijkse virus heet Jane Bürgemeister

Opgeslagen onder De Standaard

Wat heeft Maria met een Ambassade gemeen?

Ik had vanavond 47 bezoekers meer op mijn website dan normaal.

Fijn, denk ik zo, er zijn nog mensen die me googelen of die me al kennen en wat meer over of van me willen lezen. De statistieken hebben uitgewezen dat van zodra ergens in een van mijn columns het woord “België” in combinatie met “Ambassade” staat, plots een IP nummer opduikt dat met een meer dan normale interesse de website bezoekt. Zevenenveertig keer, om precies te zijn.

Voor alle duidelijkheid: als ik als vrij mens vrij mag schrijven wat ik wil, mag iemand anders als vrij mens googelen wat die wilt. Elk bezoek is welkom, mijn weekend kan niet meer stuk.

Ergens moet binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel iemand ofwel de opdracht gekregen hebben blogs en columns met vermelding van “Ambassade” op te volgen, of ik heb een fan. Hopelijk een ijverige Vlaamse schone die graag leest wat ik schrijf. Hoewel… ik heb daar niet het volste vertrouwen in.

En de reden waarom ik daar niet zo veel vertrouwen in heb is de code “Rippers 0”.

© Mira Willi

Ik weet het, het zei me ook niets, tot ik er wat research naar deed. Het betekent dat de server van het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken een programmaatje gebruikt om (delen) van de website te downloaden, voor welk doel dan ook. Niet gewoon een tekst printen, het gaat om het downloaden van delen van een hele website. Ik wens – nu ik de kennis heb – nog meer dan ooit dat een ijverige Vlaamse schone zich daarmee bezig houdt, anders moet ik me zorgen maken. Zevenenveertig keer, tussen 09:54:53 uur en 15:28:39 uur. Ik ben wel zeker dat, mocht het geen vrijdag zijn vandaag, het nog iets langer had geduurd.

Wat dat alles compenseert is als ik zie dat iemand van de Katholieke Universiteit Leuven me bezoekt. Ik stel me daar dan altijd onze Rik bij voor. Dat hij een programmaatje heeft dat hem verwittigt als ik over ‘Maria‘ of ‘God’ schrijf en dat hij zo alsnog bij mij terecht komt. Want mocht Rik me bezoeken, dan kan mijn weekend helemaal niet meer stuk.

Gelukkig wordt de avond afgesloten door drie bezoekjes van een IP nummer dat ik heel goed ken. Ik geef haar straks een zoen, sluit ook de drukke week af en kruip met haar onder de donsdekens. Kwestie van evenwicht. Kwestie van overleven, toch?

En alleen voor de zoekmachines: hier een paar tags: Maria, God, Ambassade, Wenen, België, Rik, Ministerie van Buitenlandse Zaken, de jongste tekening van mijn dochter en prettig weekend!

Reacties uitgeschakeld voor Wat heeft Maria met een Ambassade gemeen?

Opgeslagen onder De Standaard

De dag van de Belgische Dynastie valt in Wenen op 11 november…

Ik denk nog net voor het binnengaan dat ik het komende uur best mijn tong niet zou uitsteken. Ik doe dat normaal ook nooit, maar vanavond moet ik er op letten. Als je na het drinken van een glas rode wijn de tanden poetst met Paradontax wordt de tong helemaal zwart. En ik wil uitgerekend in dit gezelschap geen opschudding. Niet vanavond. Ik heb beslist me hoe dan ook te gedragen.

Ik spreek ook niet over het nieuwe boek van Marion Kraske, ik ben wel zeker dat er Oostenrijkers rondlopen tijdens de receptie die nog maar eens beledigd zouden zijn. Ik praat ook niet over Van Rompuy en leg niet uit waarom ook hij – na Verhofstadt en Dehaene – naast de belangrijke EU-post zal grijpen.

Vanavond is smalltalk avond. En omdat ik daar niet goed in ben, ben ik eerder zwijgzaam.

Voor het eerst organiseert de Belgische Ambassade in Wenen een receptie in de Diplomatische Akademie, niet in de ‘Residentie’ die hoogdringend gerenoveerd moet worden. Het kader is de typische helle multifunctionele ontvangstruimte met statafels, hapjesbuffet in het midden, drankjes aan de zijkanten tegen de muur. In Wenen valt de dag van de Belgische Dynastie dit jaar op 11 november.

De nieuwe ambassadeur en echtgenote ontvangen tussen 18:30 en 20:30 en schudden beminnelijk de handen. Ik zie nogal wat heren handkussen, ook een paar andere ambassadeurs zijn uitgenodigd, waarvan het Japanse paar – dame in traditionele klederdracht – het meest opvallen. De Belgische Consul is er ook, een van de weinige in het Vlaams aanspreekbare vertegenwoordigers van ons land, het hoekje Vlamingen op de parketvloer is niet groot.

Ik verwijder het takje dille op een toastje met zalm, die dingen kruipen toch altijd ergens tussen, en vermijd te praten met mijn mond vol, wat maar weinig aanwezigen schijnt te lukken. Ik merk plots dat mijn linkerschoen bespat is. Het regent buiten en de straten liggen er niet te proper bij. Ik kijk op en probeer te zien of het iemand is opgevallen, de Ambassadeur misschien, toen ik binnenkwam en hem begroette, en daardoor meteen al een slechte indruk heb gemaakt? Maar de mensen zijn te druk met praten, een schoen van een onopvallende, onbekende en verloren medeburger valt niet op. Praten doe je op ooghoogte.

Wie niet meepraten vanavond zijn de paar honderd Vlamingen, Brusselaars en Walen die niet zijn uitgenodigd. Die geen kaartje in reliëfdruk van de Ambassadeur hebben gekregen. Die niet belangrijk genoeg waren, of niet interessant genoeg, of niet Belg genoeg. Die geen gepaste kleding in de kast hebben hangen, geen geïntegreerde landgenoten zijn of om welke reden dan ook niet in het kader of in dit gezelschap zouden passen. De zaal is nochtans groot genoeg.

Iemand vraagt naar een naamkaartje dat ik niet heb, een ander om mijn e-mailadres, nog een lieve dame naar het adres van mijn website, een musicus naar de link naar De Standaard-Online. Een Vlaamse dame vraagt waarom ik zo kritisch ben in mijn columns. Ik vertel haar dat de Oostenrijkse schrijfster Eva Menasse vanavond haar kritische openingsrede van de Boekenbeurs in Wenen afsluit met de woorden: “Wie kritiseert, heeft lief.” Dat kritiek soms gewoon een andere vorm van liefhebben is. Ze vindt dit mooi gezegd en stapt tevreden weg. Ik ook.

Het meisje aan de ingang wordt tegen half negen het meisje aan de uitgang, en van haar weet ik bij het buitengaan dat van de iets meer dan vierhonderd genodigden, iets meer dan de helft aanwezig was. Waarschijnlijk de verkeerde helft van de verkeerde en vooral onvolledige lijst genodigden. Misschien is het omdat de nieuwe ambassadeur nog maar een paar maanden in de stad is. Misschien voelt hij zich daarom nog niet de ambassadeur van alle Belgen in Oostenrijk.

Reacties uitgeschakeld voor De dag van de Belgische Dynastie valt in Wenen op 11 november…

Opgeslagen onder De Standaard

Ich habe heute die heilige Maria gesehen…

Ich habe heute die heilige Maria gesehen. Die Jungfrau, meine ich. Sie mich auch. Ich war gerade auf dem Weg zum Supermarkt, wie meistens am Freitagnachmittag, eingemummt in Schal und eine dicke Jacke. Im Winter muss sich der Mensch schützen. Überall lauern Gefahren: die Schweinegrippe, eine schleichende eitrige Angina oder die Vorboten einer Lungenentzündung. Die Verantwortung für den eigenen Körper nimmt mit dem Alter zu.

Sie war mir nicht gleich aufgefallen, wie sie da so stand, etwas abseitig im Windschatten des Portals, gelehnt an die Glaswand, die bei jedem Öffnen der automatischen Schiebetür ein paar Millimeter nachgab und vibrierte. Ich habe sie wahrscheinlich deshalb nicht sofort erkannt, weil sie normal gekleidet war, nicht so, wie ich es von der Maria erwartet hätte. Kein edles, langes blaues Leinenkleid mit goldener Bordüre, keine zarten Sandalen aus hellbraunem Leder, die sonnengebräunte Füße umschließen, kein hauchdünner Seidenschal, der die schwarzen Locken verbirgt. Es ist Winter!

Es war die Aura, die mich ergriff. Nicht dieser schwebende Kranz, nicht der goldene Heiligenschein, nicht die Suggestion von Heiligkeit, die man von den Bildern kennt. Am Eingang zum Supermarkt hatte sie keine Aura. Sie war Aura. Ganz und gar Aura.

Ich schätzte sie auf ungefähr achtzehn, obwohl ich weiß, dass der Altersunterschied auch das Einschätzungsvermögen beeinflusst. Ein Mann meines Alters hat Bezugspunkte, Freundinnen, Töchter, Freundinnen von Töchtern, und lässt sich mehr vom Gefühl leiten. Der Verstand kommt an zweiter Stelle. Irgendwie hatte die Situation plötzlich etwas Unbehagliches, für mich jedenfalls. Ich war es, der sie schon mehr als eine Minute lang anstarrte, und das ist ganz schön lange für einen älteren Herren, der ein Mädchen fixiert, das seine Tochter sein könnte. Sie schien das allerdings nicht zu stören. Ihr offener Gesichtsausdruck und der warme Blick, aus dem die reine Unschuld sprach, ihre Haltung, die keinerlei Erwartung ausdrückte, und die Selbstverständlichkeit, mit der sie da in ihrer Ecke stand, fast schon lässig, wenn ich dieses Wort im Zusammenhang mit einer Heiligen verwenden darf. Ich war der Voyeur. Sie könnte das niemals sein.

Ich ging etwas verwirrt durch die Glastür, warf noch einen kurzen Blick zurück, steckte einen Euro in den Schlitz des Einkaufswagens und öffnete den Reißverschluss meiner Jacke. Die Warmluftanlage brachte mich zurück zu meiner Einkaufsliste, und ich füllte schnell und systematisch meinen Wagen. Ich kenne das Prinzip, nach dem die Regale eines Supermarkts gefüllt werden.

Zuerst war es wie ein Schock, irgendwo zwischen den Waschmitteln und den Windeln zu begreifen, dass ich unbewusst doch eine Vorstellung von Maria gehabt habe, bevor ich ihr bei lebendigem Leibe begegnet bin. Irgendwo hat sich bei mir ein Bild eingeschlichen, das ich nicht abgewehrt habe. Ein Bild von der angeblichen Mutter Gottes, des Gottes, der so weit weg ist, des theoretischen Sohns, über den ich gerne diskutieren will, über den ich alles lese, was geschrieben wird, aber auch des Gottes, der reines Objekt ist, Akkusativobjekt vielleicht, aber das ist schon alles. Religionsbekenntnis ist etwas für andere.

Maria ist okay. Sie wäre noch in Ordnung, speziell so, wie sie da am Eingang stand. Dieses Bild ist nicht unangenehm, die junge Frau hat schon was – die Aura, meine ich, die ich heute wahrgenommen habe.

Ich kam nicht weiter mit meinen Einkäufen. Eine Einkaufsliste klingt während des Einkaufs ganz anders als zu Hause beim Schreiben. Brauche ich tatsächlich all diese Dinge oder komme ich lieber noch mal, wenn es wirklich nötig ist? Küchenrollen sollte ich einige in Reserve haben und auch Toilettenpapier ist schnell abgerollt, aber weniger genügt auch. Vielleicht essen wir morgen ja in einem Restaurant und ich brauche gar nicht, was ich jetzt so alles vor mir her schiebe?

Woher plötzlich diese Zweifel? Ich zweifle selten, schon gar nicht bei den allwöchentlichen Einkäufen am Freitag. Doch heute überfielen mich die Zweifel, die ich mit nichts anderem in Verbindung bringen kann als mit Maria.

Mariologie ist nicht meine Stärke, aber trotzdem kann ich sagen, dass ich sie kenne. Sonst hätte ich sie nicht erkannt. Zwischen den Konserven und dem Hundefutter hatte ich freie Sicht auf ihren Standort. Sie hatte ihr linkes Bein angezogen und stützte den Fuß unachtsam an der Mauer ab. Obwohl ich Maria eigentlich nicht unachtsam nennen möchte. Eine Frau, die eine Josefsehe eingeht, weiß, was sie tut. Die hat nachgedacht, berechnend oder auch nicht, aber die steht nicht lässig mit angezogenem Bein an der Mauer eines Supermarkts.

Ob sie mir über Gott erzählen dürfe, fragte sie, nachdem ich bezahlt hatte. Sie stand kerzengerade da, ließ zwei perfekte Zahnreihen aufblitzen und strahlte eine Ruhe aus, die ich schon lange nicht mehr erlebt hatte. Die Luft, die wenigen Zentimeter Abstand zwischen uns, vibrierte, ich konnte die schweren Einkaufstaschen nicht mehr halten und stellte sie langsam neben mir auf den Boden. Sie sog meinen Blick auf und betäubte meine Gedanken.

„Darf ich mit dir über Gott sprechen, nur ganz kurz?“

Sang sie oder sprach Maria immer so?

„Über deinen Sohn?“, fragte ich zögerlich.

„Wenn du es so sehen willst, erzähle ich dir gerne von meinem Sohn“, sagte sie freundlich.

Warum sie ein Bedürfnis danach habe, fragte ich und versuchte, eine Haltung anzunehmen, die der heiligen Maria angemessen ist.

„Vielleicht hast ja auch du ein Bedürfnis danach“, sagte sie ohne Fragezeichen am Ende ihres Satzes. Gab es etwas an mir, was dies vermuten ließ? Hatte ich heute Morgen im Spiegel etwas übersehen, das für Maria ein Zeichen war, mich anzusprechen? Vielleicht sah sie, dass ich müde war oder dass ich die Trivialität eines Einkaufs an einem stressigen Freitagnachmittag erkannte, aber das ist doch noch kein Grund, mit mir über Gott zu sprechen. Oder sah sie Dinge, die ich noch nicht wusste? Es gibt schließlich Seher, sie blicken dir kurz tief in die Augen und sagen, dass du in Kürze sterben wirst. Krebs oder Leberzirrhose, Herzinfarkt oder Gehirnblutung – ab einem gewissen Alter, weißt du…

Ich hatte auf jeden Fall kein Bedürfnis danach. Ich spreche selten über Gott, eigentlich nur, wenn man mich danach fragt. Wie damals, als ich meinen Meldezettel in dem stark frequentierten Büro im fünften Stock des Bezirksamts in Wien ausfüllte und gebeten wurde, auch noch mein Religionsbekenntnis einzutragen. Damals dachte ich kurz an Gott, ganz kurz nur, eher um ihn auszuschließen denn als Option.

„Gott ist keine Option“, sagte sie freundlich, aber bestimmt.

Nein, Gott ist keine Option. Ich war überrascht, dass sie wusste, woran ich dachte, aber ich war auch ganz klar ihrer Meinung.

„Ein Sohn ist keine Option“, fuhr sie fort, „er wird geboren, wächst, fällt und steht wieder auf, wird erwachsen und stirbt. Mit Ausnahme von einem.“ Wie ein Wort für verschiedene Menschen eine unterschiedliche Bedeutung haben kann, dachte ich, während ich die Einkaufstaschen hochhob und an ihren jung verstorbenen Sohn dachte. Ich nannte ihr meinen Namen, sagte, dass wir einander wahrscheinlich immer in allem missverstehen würden, und wünschte ihr einen schönen Abend. „Tiefkühlprodukte“, fügte ich noch hinzu und deutete mit meinem Kopf auf die Tasche in meiner linken Hand. Ich wartete, um zu sehen, ob sie noch etwas zu vergeben hatte. Eine Zeitschrift oder ein Obdachlosenblatt, den Wachturm oder einen Segen, meine Sünden vielleicht. Sie schenkte mir ein mildes, warmes Lächeln.

Als ich mich nach drei unsicheren Schritten kurz noch einmal umdrehte, war sie verschwunden. Zwei Straßen weiter steckte ich gerade den Schlüssel in die Haustür, als jemand hinter mir fragte: „Haben Sie vielleicht meine Mutter gesehen?“ Ich drehte mich erschrocken um, aber ich sah niemanden. „Sie stand eben noch am Supermarkt”, sagte ich laut zu ‚Niemand‘ und nahm den Aufzug nach oben. Als die Aufzugstür einschnappte und sich die Kabine nach oben zu bewegen begann, schien es, als ob sie niemals mehr anhalten würde.

Reacties uitgeschakeld voor Ich habe heute die heilige Maria gesehen…

Opgeslagen onder Kolumnen auf Deutsch

Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien…

Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien. De Maagd bedoel ik. Zij mij ook.

Ik was op weg naar de supermarkt, zoals meestal op vrijdagnamiddag, ingeduffeld met sjaal en warme jas, als het wintert moet een mens zich beschermen. Er ligt van alles op de loer. Een Mexicaans griepje, een sluipende etterende angina of begin van een longontsteking, verantwoordelijkheid over het eigen lichaam groeit met de leeftijd.

Ze was me niet onmiddellijk opgevallen zoals ze daar stond, wat afzijdig en beschut in de plooi van het portiek, geleund tegen de glazen wand die bij het openschuiven van de deuren een paar millimeter meegaf en trilde. Ik had haar waarschijnlijk niet onmiddellijk herkend omdat ze normaal gekleed was, niet zoals ik van Maria zou kunnen verwachten, geen edel blauw lang linnen kleed met gouden bies, geen fijne sandaal uit lichtbruin leder die een bruingebrande voet omsluit, geen ragfijne zijden sjaal gesluierd om de zwarte lokken. Het is winter!

Het was de aura die me trof. Niet het soort zwevend kransje, niet het gouden aureool, niet de suggestie van heiligheid die ik van de prentjes ken. Ze had geen aura aan de ingangsdeur van de supermarkt, ze was aura, een en al aura.

Ik schatte haar ongeveer achttien, hoewel ik weet dat verschil in leeftijd ook het inschatten ondermijnt. Een man van mijn leeftijd heeft referentiepunten, vriendinnen, dochters, vriendinnen van dochters, en peilt meer op gevoel, verstand komt op de tweede plaats. Ik vond de situatie plots wat onwennig worden, tenminste voor mij, ik was het die al meer dan een minuut naar haar stond te staren en dat is lang voor een wat oudere vent die een meisje fixeert die zijn dochter kon zijn. Hoewel zij daar geen last scheen van te hebben, haar open gezicht waarop een gladde onschuld in een warme blik gebonden lag, haar houding waaruit geen enkele verwachting sprak, de vanzelfsprekendheid waarmee ze daar in haar hoekje stond, bijna nonchalant, als ik dat woord voor een heilige mag gebruiken. Ik was de voyeur. Zij zou dat nooit kunnen zijn.

Ik stapte licht verward door de glazen deur, keek nog kort om, stak een euro in de gleuf van de inkoopwagen en opende de rits van mijn jas. De warmeluchtinstallatie  bracht me terug naar mijn inkooplijst en ik vulde snel en systematisch mijn kar, ik weet hoe de rekken van een warenhuis worden gevuld.

Het kwam aanvankelijk als een shock – ergens tussen de wasmiddelen en de luiers – te begrijpen  dat ik onbewust toch een voorstelling van Maria had voor ik haar in levende lijve tegenkwam. Ergens is een beeld binnengeslopen dat ik niet heb afgeweerd. Een beeld van de veronderstelde moeder van God, de God die zo ver weg is, de theoretische zoon waarover ik wel wil discussiëren, waarover ik alles lees wat geschreven wordt, maar ook de God die puur onderwerp is, lijdend voorwerp misschien, maar daar houdt het op. Belijdenis is voor anderen.

Maria is oké. Zij zou nog kunnen, zeker zoals ze daar stond in het portiek. Het beeld is niet onaangenaam, de jonge vrouw heeft wel wat, de aura bedoel ik, die ik vandaag heb vastgesteld.

Ik krijg de lijst niet afgewerkt. Een boodschappenlijst leest anders tijdens het winkelen dan wanneer ze wordt opgesteld. Heb ik nu echt al deze dingen nodig of kom ik nog eens langs als de nood echt hoog is? Hoeveel keukenrollen moet ik in reserve hebben, en toiletpapier gaat snel maar met minder kan het ook. Misschien gaan we morgen wel uit eten en kook ik niet wat nu in de kar geschoven wordt?

Maar vanwaar plots die twijfel? Ik twijfel zelden, toch nooit tijdens de wekelijkse inkopen op vrijdag. Doch vandaag overvalt me twijfel die ik niet anders dan met Maria in verband kan brengen.

Mariologie is niet mijn sterkste punt en toch kan ik zeggen dat ik haar ken. Anders had ik haar niet herkend. Tussen de rayon conserven en hondenvoer heb ik een vrije blik op waar ze staat. Ze heeft haar linkerbeen opgetrokken en leunt met een voet achteloos tegen de muur. Hoewel ik Maria ook nooit achteloos zou willen noemen. Een vrouw die een Jozefshuwelijk aangaat weet waar ze mee bezig is. Die heeft nagedacht, berekend of niet, maar die staat niet losjes met een opgetrokken been tegen de zijmuur van een supermarkt.

Of ze me over God mocht vertellen, vroeg ze nadat ik had afgerekend. Ze stond kaarsrecht, straalde een perfecte mond tanden bloot, ademde een rust uit die ik sinds lang niet meer kende. De lucht, de paar centimeter ruimte tussen ons vibreerde, ik kon de zware inkooptassen niet meer dragen en zette ze langzaam naast me neer. Ze zoog mijn blik en bedwelmde mijn gedachten.

“Mag ik met jou over God praten, heel even maar?”

Zong ze of praatte Maria altijd zo?

“Over jouw zoon?” vroeg ik aarzelend.

“Als je het zo wilt zien, dan vertel ik je graag over mijn zoon,” zei ze minzaam.

Waarom ze daar behoefte aan had, vroeg ik en probeerde een houding te vinden die bij de Heilige Maria past.

“Misschien heb jij daar behoefte aan,” zei ze zonder vraagteken op het einde van haar zin.

Was er iets aan mij waaruit dat bleek? Had ik vanmorgen in de spiegel iets over het hoofd gezien dat voor Maria een teken was om me aan te spreken? Misschien zag ze dat ik moe was, of dat ik de trivialiteit inzag van het winkelen op een drukke vrijdagnamiddag, maar dat is nog geen reden om met mij over God te beginnen. Of zag ze dingen die ik nog niet wist? Er zijn immers zieners, ze kijken kort diep in de pupillen van je ogen en zeggen dat je binnenkort zult sterven. Kanker of levercirrose, hartaanval of hersenbloeding, vanaf een zeker leeftijd, weet je wel?

Ik had daar alvast geen behoefte aan. Ik praat zelden over God, eigenlijk alleen als me daar naar gevraagd wordt. Zoals toen ik mijn verblijfsvergunning invulde in het overdrukke kantoor op de vijfde verdieping van het districtgebouw in Wenen en gevraagd werd alsnog mijn geloofsovertuiging in te vullen. Toen dacht ik kort aan God, heel kort, eerder om hem uit te sluiten dan als een optie.

“God is geen optie,” zei ze vriendelijk maar vastberaden.

Nee, God is geen optie, ik was verrast dat ze wist waaraan ik dacht, maar ik was het ook duidelijk met haar eens.

“Een zoon is geen optie,” ging ze door, “die wordt geboren, groeit, valt en staat op, wordt volwassen en sterft. Behalve één.”

Hoe een woord voor mensen een andere betekenis kan hebben, dacht ik terwijl ik de boodschappentassen optilde en aan haar jong gestorven zoon dacht. Ik vertelde haar hoe ik noemde, zei dat we elkaar waarschijnlijk altijd in alles anders zouden begrijpen en wenste haar een fijne avond. “Diepvriesproducten,” voegde ik er nog aan toe met mijn hoofd wijzend naar de tas in mijn linkerhand.

Ik wachtte om te zien of ze nog iets te vergeven had. Een wereldtijdschrift of daklozenblad, de Toren of een zegen, mijn zonden misschien. Ze schonk me een milde warme lach.

Toen ik me na drie onzekere stappen kort nog even omdraaide, was ze weg.

Ik stak twee straten verder de sleutel in de voordeur van mijn huis toen iemand achter me vroeg: “Heeft u misschien mijn moeder gezien?”

Ik keek geschrokken om, maar zag Niemand.

“Ze stond daarnet nog aan de supermarkt,” zei ik luid tegen Niemand en nam de lift naar boven. Toen de liftdeur in de grendel klikte en de kooi begon te stijgen, leek het alsof die nooit meer zou stoppen.

Reacties uitgeschakeld voor Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

Brood en spelen

Er zijn zo van die dagen waar een en ander gebeurt. Vandaag is zo’n dag, tenminste in Oostenrijk toch, hoewel in België het spoor ook plat ligt.

Bondskanselier Faymann

Nadat Bondskanselier Werner Faymann in de korte tijdspanne van 48 uur drie maal zijn standpunt wijzigde betreffende de problemen aan de Oostenrijkse universiteiten, begrijpt binnen zijn eigen socialistische partij geen mens meer wat nu eigenlijk de partijlijn is. Chaos alom. Chaos ook vandaag in Wenen: de studenten zullen massaal demonstreren en tegen 16 uur één van de belangrijkste verkeersaders van de stad, de “Gürtel” lamleggen.

De verantwoordelijke minister, Johannes Hahn (Christendemocraat) die zich verzekerd weet van een post als EU-commissaris wil nu plots wel met een delegatie praten, hij heeft niets meer te verliezen en probeert zijn afscheid van de binnenlandse politiek nog iets heldhaftig te geven. De studenten zeggen niet ‘nee’ maar vragen zich terecht af waarom ze deze afscheidnemende minister nog ernstig zouden nemen. Hij weigert pertinent, en dit al sinds weken, enige vorm van overleg. Het wordt heet vandaag, en niet alleen in Wenen, ook in Innsbruck en Graz en aan enkele solidaire universiteiten in Duitsland. “Die Zeit” kopt vandaag: “Het Uni-debacle. De regering is radeloos en vindt geen manier om met de rebellerende studenten in dialoog te treden.” Tijdens het debat op ATV gisterenavond werd nog eens duidelijk hoe zeer de politiek steeds terugvalt op “Leistung”, prestatie. Als de universiteit dan voor iedereen toegankelijk is, als die dan bijna gratis moet zijn, mag van de studenten ‘prestatie’ worden verwacht. Het hele oorspronkelijke concept van universiteit wordt onder de tafel geveegd, de hele idee dat mensen ook recht hebben te studeren alleen voor zichzelf, voor hun persoonlijke ontwikkeling, om hun specifieke intellectuele honger te stillen zonder dat daar automatisch een belastbare job moet uit voortspruiten, komt zelfs niet meer aan de orde. Gelukkig was het bitsige en gevatte geweten van intellectueel Oostenrijk aanwezig, journalist, auteur, criticus Robert Menasse die zich gelukkig nog echt kwaad kan maken. Eén man, als een Don Quichot in een lamme arena politici die het niet meer weten.
Ondertussen wordt de in Oostenrijk opzij geschoven en licht verguisde Ursula Plasnik (ex-minister buitenlandse zaken) in Parijs opgenomen als officier in het “Légion d’honneur”.Gelijktijdig is in dit diep-christelijke land grote beroering ontstaan over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat religieuze symbolen in scholen veroordeelt.

Schönborn

De halflege kerken zijn plots te klein om het protest van zowel de Oostenrijkse Kardinaal Christoph Schönborn als alle politieke partijen (behalve Groen) te herbergen. De uitspraak wordt unaniem en categorisch genegeerd, ze is op Italië toepasselijk, niet op het Alpenland. Oostenrijkse oplossing.

Om alles voor vandaag af te ronden, in het de meest noordelijke autonome provincie van Italië, Zuid Tirol, broeit een nieuw conflict: moeten de meer dan 60.000 wegwijzers voor de duizenden wandelaars die dit prachtig stukje ex-Oostenrijk elk jaar doorkruisen tweetalig worden of volstaat eentalig Duits, zoals nu het geval is? Voor de ex-Oostenrijkers zou een bewegwijzering in het Italiaans te pijnlijke herinneringen aan het fascisme oproepen, dat aan de grondslag ligt van de toewijzing van dit 7400m2 stukje Oostenrijk aan Italië.
Waar een natie groot kan in zijn.

Maar tegen vanavond is alles vergeten. Dan speelt Rapid Wien tegen Tel-Aviv in de UEFA. Kwestie van de dag met een licht gemoed te kunnen afsluiten. Panem et circenses.

Reacties uitgeschakeld voor Brood en spelen

Opgeslagen onder De Standaard

En hoeveel vrienden heb jij?

Wordt U er niet nerveus van? Ik wel!

Er gaat geen dag voorbij of ik word verondersteld me aan te melden op Facebook, Linkedin en andere sociale netwerken omdat iemand vindt dat ik dat beter zou doen. Waarom die persoon dat vindt staat er niet bij, alsof het een absolute normaliteit is dat iemand zit te wachten op nog maar eens een ‘vriend’ die me aan zijn lijst wil toevoegen. Omgekeerde wereld, toch? Ik dacht dat ik vrij kon beslissen met wie ik bevriend kan zijn, op welke manier, aan welke frequentie, en binnen welke context. En dat ik daarover geen uitleg verschuldigd zou moeten zijn, tenzij ik dat zelf aan mijn ‘vriend’ wil meedelen.

En omdat ik deze e-mails negeer, komt een week later steevast een herinnering en die wordt dan nog een paar maal herhaald.

Het staat alle mensen vrij te doen wat ze willen. Zich te wenden in sociale netwerken en business groepjes, er zal wel een reden zijn waarom de systemen zo succesvol zijn, er zal wel nood zijn aan deze vorm van sociale interactie. Maar er is ook nood aan amateurvoetbal, of collectief joggen, fietsen in de regen allen op één rij, daarom moet ik er nog niet elke dag aan herinnerd worden dat ik die nood niet heb. Een bepaald isolement heeft ook wat, hoe expressief men als individu ook mag zijn, ik verplicht ook niemand deze blog te lezen.

“Is dit niet de heer of mevrouw xxxx die u zoekt? Probeer dan hier!” En zodra ik op “hier” druk moet ik me eerst aanmelden.

Nu, lekker niet. Ik ben een overtuigd weigeraar. Wie me wilt bereiken kan me bereiken. Wie me wilt lezen kan me lezen, wie niets met mij te maken wilt hebben laat ik toch ook met rust? Ik dacht dat vriendschap weinig van doen had met aantallen. Ben ik een meer sympathiek of een interessanter persoon omdat ik officieel, door iedereen controleerbaar honderdvijfentwintig vrienden heb? Voegt de wetenschap dat iemand zichzelf uitroept tot mijn vriend iets toe aan wie die persoon is?

Lieve vrienden, ik laat wel iets van me horen, direct dus zonder omwegen, als ik iets te zeggen of te vragen heb. En dat verwacht ik van jullie ook. Maar dan even direct, en zonder de omwegen waar iedereen blijkbaar niet meer omheen kan.

Reacties uitgeschakeld voor En hoeveel vrienden heb jij?

Opgeslagen onder De Standaard