Categorie archief: Essays

De vervaldatum van literatuur

Literatuur wordt vandaag evenzeer door deregulering bepaald als de gezamenlijke markt. Dat heeft ook het beroepsbeeld van de schrijver veranderd. (Anna Mitgutsch – literair auteur – Linz – Boston)

Sinds mijn humaniora was het mijn grootste wens schrijver te worden, hoewel ik er me nooit -zelfs als test- had aan gewaagd. Het was dit soort droom waar men als kind nog naar grijpt, die men als adolescent geheim houdt en later als te hoog gegrepen, zoals vele andere verwachtingen- ondergeschikt maakt aan de realiteit. Het hebben van zo’n droom betekent dat men reeds vroeg hoofdzakelijk zijn verbale expressie ontwikkelt, door te lezen, door het langzame proeven van de gangbare literaire vormen in verhalen, dialogen, dagboekbeschouwingen, want taal is nu eenmaal het enige middel dat ter beschikking staat van literatuur, en alleen wat taal kan veruiterlijken wordt verstaanbare realiteit. Ik ben me steeds bewust geweest van mijn ontoegankelijkheid tot de grote taalkundige kunstwerken uit de wereldliteratuur. En ik heb tot mijn vijfendertigste levensjaar nooit gepoogd mijn schrijfsels in deze exclusieve openbaarheid te publiceren, omdat ik langzaam aan tot het besef gekomen ben dat de afstand tussen mijn grote voorbeelden en mijn teksten niet te overbruggen is. Maar dat ik ook niet te beschaamd was om in het geheim nochtans te proberen in te schatten en te beleven hoe dicht ik een echt gelukte tekst genaderd was.

De mooiheid van taalkundige beelden, de authenticiteit van stemmingen en gevoelens die door deze beelden worden opgeroepen, de ervaringen en de inzichten die door middel van de taal tot leven komen, dat waren mijn doelstellingen die ik al lang voor ik Germaanse studeerde voor mezelf had vooropgesteld.

Terwijl mijn wereldbeeld en mijn voorstelling over de mensheid en de samenleving ontwikkelde, bleef altijd dat beeld hangen van de schrijver en zijn bevoorrecht bestaan. Bevoorrecht niet in de zin van inkomen of macht, zelfs niet van roem, want ik las liever de miskende dan de beroemde dichters, maar eerder in de overtuiging dat een schrijver meer vooruitziend en meer gevoelig moet zijn dan anderen, dat hij meer over de mensen moet weten dan alle psychologen samen, dat hij vooral meer over het geheim van ons korte, vaak abrupt afgebroken leven weet dan welke filosoof ook.

En wat al heel vroeg het meest indruk op me maakte was de compromisloosheid waarmee vele schrijvers die ik bewonderde zich tegen onrecht, onrechtvaardigheid en onderdrukking hebben verzet. Ik beschouwde hen als voorvechters van gerechtigheid en  waarachtigheid. Voor mij betekende schrijver worden de gave te bezitten alles een taal te geven wat anders tot zwijgen was gedoemd, ook voor mensen die geen uitdrukking konden geven aan hun lijden, en de begrenzing op te heffen van de overweldigden die door de taal tot verstomming zijn gebracht.

Vandaag zijn er in Europa geen dictaturen waartegen we ons moeten verzetten. Er is niets waardoor we onze heldhaftigheid kunnen bewijzen. De vijand, als die dan al zou moeten bepaald worden, is ongrijpbaar, er is geen verzet waartegen men effectief rebelleren kan. De media, ja zelfs de filosofen en tijdcritici verzekeren ons dat de mens nog nooit zo veel vrijheid had. Theoretische vrijheid natuurlijk, die allereerst de mogelijkheid om te beslissen inhoudt. Datgene wat kunstenaars van oudsher voor zichzelf opeisten, outsider te zijn, vaak ten koste van hun burgerlijk bestaan, is plots geen uitzonderingssituatie meer maar normaal en is dus ook niet langer een begerenswaardige positie, vooral omdat die nauw verbonden is aan de eisen van de consumptiemaatschappij, waarvan we alle slaven zijn. Onze vrijheid bestaat erin datgene te consumeren wat ons uit het onoverzichtelijk aanbod begerenswaardig voorkomt. De grenzen van onze consumptie zijn de grenzen van onze vrijheid. Wie niet consumeren kan, omdat hij op de afvalberg van het overschot en overbodige is beland, ziet zijn vrijheid beperkt tot de noodzaak zijn dagelijks overleven te verzekeren. Maar waren kunstenaars niet altijd randfiguren, balancerend langs de afgrond, zonder vangnet dat de normale burger wel beschermt? Mensen die zich met ideeën en vragen bezighouden die het eigen leven en overleven overstijgen, mensen die zich afmatten met hun eigen innerlijke wereld en daardoor het dagelijkse uit het oog verloren? Maar misschien is ook deze voorstelling niet meer dan een romantisch cliché dat niet langer van toepassing is op de kunstenaar van vandaag.

Het literair bedrijf heeft het beeld van de schrijver de laatste twintig jaar grondig veranderd. De deregulering, die ons op alle vlakken wordt aangepraat als een zegen van de nieuwe vrijheid, bepaalt vandaag de literatuur in dezelfde mate als ze de gehele markt beheerst. Dit veroorzaakt, of hij er zich van bewust is of niet, een existentieel dilemma voor de schrijver. Hoe kunnen we ons aan het afval van een vraatzuchtige, alles nivellerende markt onttrekken, zonder zelf van deze markt te verdwijnen? Hoe de concurrentie overleven in een stortvloed van boeken, zonder aan literaire kwaliteit in te boeten die we van onszelf eisen en die hoe dan ook aan de basis ligt van ons schrijven? De keuze is onmogelijk: literatuur, waardoor ons hele leven wordt bepaald, af te stemmen op een oppervlakkige markt en daardoor verraad te plegen tegenover onszelf en onze kunstuiting, of door deze markt niet of nauwelijks te worden waargenomen. Hoe houden we stand in het een overvolle competitieve boekenmarkt zonder aan literaire kwaliteit in te boeten die we van onszelf eisen en die de enige motivatie is voor ons schrijvers? Wij staan, ons hele literaire leven, voor de onmogelijke keuze ons aan een oppervlakkige markt aan te passen en daardoor verraad te plegen aan onszelf en onze kunst, of door deze markt nauwelijks of niet te worden waargenomen.

Literatuur is een dialogische kunstvorm die een tegenspeler nodig heeft. Ze kan zonder lezer niet bestaan en een auteur kan op termijn zonder publiek niet aan zijn levensdoel werken.

De markt heeft het onderscheid tussen “entertainment” en literatuur, die gekenmerkt wordt door taalkundige en structurele complexiteit, experimenteren of taalkundige uitdaging, afgeschaft. Het actuele, snel te consumeren heeft de overhand. Onderhoudende literatuur heeft altijd bestaan, ze heeft haar eigen publiek, dat zich veeleer wilt ontspannen dan wel over grote problemen wilt lezen, en uitgevers benutten deze bestsellers omwille van hun hoge opbrengst, om daarnaast boeken te kunnen drukken die ze als literatuur beschouwen. Want, literatuur was nooit voor de massa bedoeld.

Uitgevers waren fier op hun auteurs. Bewijs daarvan is te vinden in de vriendschappelijke toon in de briefwisseling tussen belangrijke uitgevers en grote auteurs in de vroege twintigste eeuw. Ze bouwden hun auteurs voorzichtig op, traden met hen in dialoog, tientallen jaren lang, en de vraag of een boek van Joseph Roth of eerder Kurt Tucholsky op de bestseller lijst zou geraken of niet, stond niet in het centrum van hun overwegingen. Culturele bijlagen hielden zich uitsluitend met literatuur bezig. Ik herinner me niet ooit bijdragen te hebben gelezen over het ontspanningsgehalte van Heinz Konsalik, of over schrijvers van krimi’s zoals die van Edgar Wallace. Ontspanningsgehalte, vlotte leesbaarheid en spanning waren, toen ik nog Germanistiek studeerde, geen relevante literaire categorieën. Maar toen leefden we in de koude oorlog, waren we vanuit het huidige postmoderne perspectief beheerst door ideologieën die – zoals vele uitgevers beweerden – geen leesbare boeken hebben voortgebracht. Maar zelfs voor de belangrijkste auteurs, ook de meest geëngageerde wiens werken sinds eind de jaren tachtig als ‘Gesinnungsästhetik’ werden belasterd, ging het niet alleen om de kritische discussie met de samenleving, doch om esthetische vragen. Sinds dan werd kritiek aan de samenleving meer en meer afgeschaft, waardoor die al helemaal niet meer kan waargenomen worden, zelfs als is ze expliciet aanwezig.

Wie vandaag literatuur produceert moet rekening houden met de vandaag gestelde eisen aan kunst en vaststellen dat door het gezag van de markt een volledig nieuwe situatie is ontstaan. Esthetiek, poëtologische overwegingen, innovatie (waarmee ik niet ‘gags’ bedoel), het recht op het ‘alom geldende’ en de ‘tijdloosheid’ zijn niet langer de criteria die het succes en het bestaan van een kunstwerk garanderen. In de consumptiemaatschappij verdringt marktwaarde de esthetische criteria. De waarde van een kunstwerk ligt in de verkoopcijfers, in media-aandacht, in de verworven plaats in de ranglijsten. Wat geldt is wat overeenstemt met de luim van de tijdsgeest, en ook dan slechts op afroep. Eeuwige roem is een anachronisme want alles, niet alleen levensmiddelen, ook boeken hebben een vervaldatum, en die termijn wordt van jaar tot jaar korter. Niet zo lang geleden had een boek gemiddeld nog een looptijd van drie tot vier maanden, vandaag is die al herleid tot twee tot drie maanden.

De vervaldatum is de motor van de consumptiemaatschappij. Opdat consumptie niet zou stoppen moet alles zo snel mogelijk uit de mode zijn en plaats maken voor nieuwe – liefst betere – producten waardoor de consument wordt voortgestuwd uit angst iets te missen. George Steiner spreekt over onze huidige cultuur als ‘casino-cultuur’, waarbinnen elke cultureel product moet afgestemd zijn op maximale impact en snel verouderen.

Wat betekent dit concreet voor literatuur, als de kwaliteit van een werk niet meer inherent is, maar gemeten wordt aan zijn marktwaarde? Het belangrijkste motief voor een uitgever om een manuscript, een auteur in zijn programma op te nemen is zijn verkoopbaarheid. Is een auteur minder bekend, moet het manuscript een voorspelbare bestseller zijn. Het programma wordt niet altijd door literatuurliefhebbers samengesteld ook al bestaan ze nog bij uitgevers, lectoren en agenten. De bedrijfsleiders en financiële managers hebben medezeggenschap bij de samenstelling van het programma en ook de vertegenwoordigers hebben een grote invloed. Eens de marktwaarde van het boek ingeschat wordt alles wat volgt daarop afgestemd: hoe wordt het boek aangekondigd, hoeveel budget is er voor PR en promotie, krijgt het een eigen folder of poster? Alleen toptitels worden nog door de redacties van de media behandeld, alleen toptitels worden door boekhandels aangekocht, krijgen advertentieruimte en leestournees. Het is voor een auteur pijnlijk niet de nodige aandacht te krijgen, niet opgemerkt te worden, waardoor de oplage laag blijft en alles lijkt alsof hij het boek niet had geschreven. Waarom werd het dan überhaupt gedrukt? Consumptie is op overvloed afgestemd, op overproductie, kwantiteit telt, wat niet verkocht wordt is ingecalculeerd in de productiekosten.

Er worden in Duitstalig Europa per seizoen 45.000 boeken gedrukt. De leesbereidheid van de consument is daarentegen constant gezonken tot gemiddeld twee boeken per jaar/per kop in doorsnede. Voor de lotsbestemming van een boek, en dus ook van de auteur, gaat het over overleven. De hoop dat het boek ooit toch nog eens ontdekt wordt, wordt door de wet van de markt genadeloos tenietgedaan.

De commercialisering van cultuur wordt door de media aangewakkerd. De media zelf hebben zich trouwens al lang met plezier aan de wet van de markt onderworpen en proclameren vrijelijk ‘Wie dit product niet nu en hier koopt, is niet met zijn tijd mee, en verliest in de strijd om te kunnen meepraten en erbij te horen.” En dit alles cumuleert in een hysterie alsof literatuur vroeger niet bestond, alsof alles wat daarvoor of daarnaast werd geschreven niet bestaat.

Er zijn niet veel recensenten meer die zich de moeite nemen een boek met volle aandacht of volledig uit te lezen. We leven in een cultuur van het vluchtige lezen, het overlezen, we werden door zappen en muisklicks geschoold. Voor vele recensenten gaat het trouwens alleen nog over hun eigen status en positie binnen hun kleine wereldje, over machtsontwikkeling en concurrentie met concurrerende bladen. Eens de waarde van een boek door hen is bepaald is het milieu eensgezind. Oproer van een zeldzame journalist tegen deze eenheidspositie is zelden, men parafraseert zich onder elkaar. Ook het leven binnen de literatuur is een sport voor hardvochtige typen geworden. Waardeoordelen worden apodictisch, zonder bewijsvoering geveld. Alle stappen tussen het eenzame schrijven van een boek en de consumptie ervan worden door marktoverwegingen en machtsmanipulaties bepaald. Goed of slecht zijn voor de consument zelden esthetische criteria, maar verkoopcriteria die door cijfers moeten bewezen worden: verkoopcijfers, aantal artikels of advertenties, posities in de bestseller lijsten. Als duizenden hetzelfde kopen geeft het die ene koper garantie op kwaliteit.

De verenging van het assortiment is in de USA al in de zeventiger jaren begonnen. Nu is ook dit fenomeen bij ons aangekomen. Grote verkoopketens verdringen de kleine boekhandel waar je werken kon vinden die niet door bestseller lijsten werden opgelegd. Het is saai geworden om in boekhandels rond te neuzen die slechts de weerspiegeling zijn van een hype bij uitgevers, hysterie in de media, die de verkoopgags verafgoden. En na een paar maanden is alles voorbij, en voor vele boeken kan men zeggen ‘gelukkig maar’, en ze belanden allemaal in de grote hallen bij het restpapier. Na een paar jaar kan een bestseller en vaak ook de auteur volledig vergeten zijn. Binnen de gedrongen vrije markt gaat het bij het boek over lichte leesbaarheid, spanning, voyeurisme, misschien een beetje levenswijsheid. Een moord of twee, een sympathieke commissaris als identificatiepersoon, een paar leuke invallen, wat sensuele momenten volstaan soms voor een bestseller die zowel recensenten als juryleden met een hoog leesgenot verleiden kan, want leesgenot en levensgenot daarover gaat het. De onbeantwoorde vragen van de mensheid zijn weggedrukt. Die storen de consument. Om in concurrentie te kunnen staan met andere ontspanningsmogelijkheden moet het boek spannend zijn en in een slaafse omgangstaal geschreven zijn zodat de lezer bij de snelheid van het overlezen van de pagina’s niet geremd zou worden. In ‘Leben in der flüchtigen Moderne’ schrijft Zygmunt Bauman: ‘De verarming van de Kunst is een esthetisch probleem geworden,’ en hij stelt dat het best zou kunnen dat Kunst de wetten van de consumptiemaatschappij niet kan overleven. Een donkere maar immanente prognose.

Uitgevers zijn vandaag concerns of behoren tot concerns. Van hen hebben we geen ommekeer te verwachten. Men kan de boekhandelaar niet verwijten vooral boeken in te kopen waaraan ze iets kunnen verdienen. En media schenken geen aandacht aan boeken die de trend niet volgen.

Nu is uitsluitend troost te vinden bij die enkelingen die nog oor hebben voor dichterlijke spraak, die nog alle registers en nuances waarnemen, die weten dat literatuur zich ook met de onbeantwoorde vragen inlaat die we ons stellen als we onze eigen grenzen bereikt hebben. Deze enkelingen, schrijvers die zich niet door mode laten afleiden, lectoren, uitgevers, boekhandels die eigenzinnig alles op literatuur blijven inzetten alsof er geen crisis in de huidige boekenmarkt zou zijn, zijn waarschijnlijk het enige en niet te onderschatten tegengewicht voor de commercialisering van de literatuur.

Vrij vertaald en ingekort uit Der Standard – Zaterdag 29 april 2008 –  © Der Standard/WenenAuteur: Anna Mitgutsch – literair auteur – Linz – Boston. Anna Mitgutsch is in 1948 in Linz geboren. Zij ontving meerdere prijzen voor haar omvangrijk werk. Laatst verscheen van haar bij Luchterhand de roman “Zwei Leben und ein Tag.”

Advertenties

Reacties staat uit voor De vervaldatum van literatuur

Opgeslagen onder Essays

Richard Wolterman: Sonnet voor klokkenluiders, journalisten, bloggers en schrijvers

Beste Roel

In deze reflectieve periode rond Kerstmis met name voor wat betreft ‘nieuw leven’ en licht in donkere dagen, wilde ik graag een ode brengen aan klokkenluiders, journalisten, bloggers en schrijvers die er voor gezorgd hebben dat het sexueel misbruik in katholieke kringen openbaar werd gemaakt over het laatste decennium en vooral tijdens de laatste 3 jaren in Nederland en Belgie. Jij bent daar ook een van, en anderen zijn ons inmiddels ook wel bekend. De stemmen van deze dappere mensen hebben er collectief toe bij gedragen dat slachtoffers uitgenodigd werden om met hun misbruik ervaringen naar buiten konden komen, en daarmee aan een journey van hun nieuwe leven konden gaan beginnen. Dit gedicht zal over niet al te lange tijd verschijnen in de bundel “Godsgeklaagd Mensonteerd.”

SONNET VOOR KLOKKENLUIDERS, JOURNALISTEN, BLOGGERS EN SCHRIJVERS

Als een mens met passie start met zoeken
Vindt hij gaten in het zwijg gordijn
Hij investeert talent in stem en boeken
Dat jarenlang niet openbaar kon zijn

Nu spreekt hij uit naar alle wereld hoeken
Voor velen die nog leven met de pijn
Hij doet het kerk’lijk zwijgen uit de doeken
Dat ‘t aangezicht bedekt van heilig schijn

Opgepend op internet en in kolommen
Blinkt de waarheid van zijn levend woord
Hij schrijft wat stemmen deed verstommen

Wijl het jongens’ leed niet werd gehoord
En hoe de kerk zich hield der dommen
Toen misbruik onze zielen had gesmoord

(c) Richard Wolterman, Australia

Merry Christmas and a happy new year!

2 reacties

Opgeslagen onder Essays, Recensies

The Manual

Of hoe de katholieke kerk sinds 1983 over seksueel misbruik op de hoogte was en hoe ze daar (niet) mee omging. Schuldig verzuim.

 Begin juli 2012 werden via een van de oudste websites over seksueel misbruik, BishopAccountability.org, documenten vrijgegeven die een dieper inzicht verschaffen in hoe Amerikaanse bisschoppen, kardinalen, aartsbisschoppen en de bisschoppenconferentie al zo’n dertig jaar geleden en tot voor kort met gevallen van seksueel misbruik door priesters (niet) zijn omgegaan. Het hoofddocument, hoewel sinds zijn ontstaan wijd verspreid binnen de kerkelijke hiërarchie, bereikte nooit massaal het grote publiek. Dit destijds baanbrekend werk van drie gerenommeerde auteurs, is op zich revelerend vooral om te begrijpen hoe vroeg al ALLE Amerikaanse hoogste geestelijken op de hoogte waren van de problematiek rond pedofilie in de kerk (1985). Het meest interessante echter rond “The Manual” is vooral hoe de kerk met het document is omgegaan en het proces dat aan de verspreiding van het document is voorafgegaan.

Tom Doyle

Verhelderend daarvoor is de verklarende memo van één van de drie auteurs, specialist Canoniek Recht, Thomas Doyle. Om beter de intriges binnen de katholieke kerk te begrijpen vooraleer “The Manual” zelf te lezen, volgt hieronder de eerste en volledige vertaling van die verklarende nota. Aangezien de publicatie van deze vertaling door de auteur werd goedgekeurd, berust geen copyright op de inhoud en kan die geheel of gedeeltelijk worden verspreid, echter met vermelding van de auteur en de vertaler. De nota vraagt geen verdere uitleg. De aandachtige en geïnteresseerde lezer zal zelf de waarde en het belang ervan weten te schatten.

De korte geschiedenis van “The Manual”

“The Manual” zoals hij vrij algemeen wordt genoemd, was vooral het werk van drie mensen: Fr. Michael Peterson M.D., oprichter en directeur van het St. Luke Institute in Suitland, Maryland, Mr. F. Ray Mouton, J.D., advocaat burgerlijk recht uit Lafayette in Louisiana, en Fr. Thomas Doyle, O.P., secretaris-canonist van de Apostolische Delegatie, later gekend als de Apostolische Nuntiatuur in Washington D.C.

Ray Mouton

“The Manual” bestond in zijn originele vorm uit zowat 100 pagina’s tekst, geschreven door Mouton , Peterson en Doyle. Hij behandelde uiteenlopende aspecten van de medische, burgerrechtelijke, canonieke, verzekeringstechnische en pastorale facetten van het probleem van pedofilie. Fr. Peterson voegde aan het document meerdere klinische bijdragen toe over soorten pedofilie, behandelingsmethodes, mogelijkheid tot genezing, enz.

Hoewel “The Manual” als een strikt vertrouwelijk document was gepland, werd het in de kortste tijd alles behalve dat. Het werd uitvoerig gekopieerd en verspreid binnen de V.S. zowel als in nogal wat andere landen.

“The Manual” kwam er niet in opdracht noch op vraag van wie dan ook, in welke functie dan ook, officieel of onofficieel. Het was een totaal private aangelegenheid, opgestart door de drie eerder vermelde personen, als reactie op wat – volgens hun overtuiging – een zich snel ontwikkelend en ernstig te nemen probleem zou worden binnen de katholieke kerk.

De zaak rond Fr. Gilbert Gauthe uit Lafayette (Los Angeles) werd publiek in de late herfst van 1984. Gilbert Gauthe werd geconfronteerd met uiterst zware criminele aanklachten en het bisdom schakelde Mr. Mouton in als verdediger.

Gilbert Gauthe

Een burgerlijke klacht was al ingediend door een van de families (Glen en Faye Gastal), wiens zoon door Gilbert Gauthe werd misbruikt. De idee om een soort instrument te ontwikkelen om met gevallen van pedofilie binnen de kerk om te gaan ontstond in januari 1985 tijdens een meeting waar Doyle, Mouton en Peterson samen zaten.

Mouton was in Washington om met Peterson de mogelijkheid te bespreken om Gilbert Gauthe naar het St. Luke Instituut te sturen voor evaluatie en eventuele behandeling. Peterson was oprichter en directeur van het instituut, een gezondheidsinstelling voor priesters en religieuzen. Doyle had Mouton en Peterson met elkaar in contact gebracht. Mouton en Doyle hadden elkaar nog nooit ontmoet, Peterson en Doyle waren vrienden en medewerkers. Doyle was destijds kerkelijk jurist aan de Vaticaanse Ambassade en verantwoordelijk voor het monitoren van de briefwisseling over de zaak Gilbert Gauthe.

Kort na Nieuwjaar (1985) informeerde Peterson Doyle dat Mouton naar Washington zou komen om de situatie rond Gilbert Gauthe te bespreken. Een dag later vond Peterson het belangrijk en dringend dat Doyle met Mouton van gedachten zou wisselen. Er werd een ontmoeting gepland in het Dominikanerhuis en niet in de Nuntiatuur. Mouton gaf te verstaan dat er nog meer priesters waren in Lafayette die betrokken waren bij seksueel misbruik van kinderen en dat het bisdom die gevallen toedekte en dus de kansen op een goede verdediging van Gilbert Gauthe in gevaar was. Hij hoopte immers op een vergelijk met de rechtbank om Gilbert Gauthe te laten opnemen in een hospitaal of hem onder te brengen in een veilige omgeving waar hij behandeld zou kunnen worden voor zijn probleem.

De ontdekking dat ook andere priesters betrokken waren maakte deze strategie onwerkbaar omdat het Openbaar Ministerie, Nathan Stansbury, de zaak van Gilbert Gauthe niet lichtvaardig zou opnemen. Tijdens dit gesprek gaf Peterson te verstaan dat hij via vertrouwelijke bronnen op de hoogte was van het feit dat nogal wat priesters over het hele land zich schuldig hadden gemaakt aan seksueel misbruik.

Doyle bracht aartsbisschop Laghi (foto rechts) over de ernst van de situatie op de hoogte. Een paar dagen later had Peterson een gesprek met Laghi. De aartsbisschop nam contact op met collega aartsbisschop Hannan van New Orleans en informeerde hem dat een vergadering werd belegd in Washington waar bisschop Fray, aartsbisschop Hannan, hun advocaten, Peterson en Doyle aanwezig zouden zijn. Doel van de vergadering was om de misbruikaffaires van de andere priesters uit te klaren. De meeting vond plaats op 8 februari in een hotel in Arlington. Naar aanleiding van deze samenkomst, en na verdere gesprekken met Mouton en Peterson, stelde Doyle aartsbisschop Laghi voor een bisschop af te vaardigen om naar Lafayette te gaan om te helpen bij het behandelen van de crisis. Doyle stelde bisschop Quin voor, hulpbisschop van Cleveland wegens zijn juridische achtergrond. Laghi stemde in en de gepaste communicatie werd gevoerd met de Heilige Stoel om de aanstelling goedgekeurd te krijgen.

Zowel Doyle als Mouton en Peterson waren ervan overtuigd dat nu de Gilbert Gauthe-zaak openbaar geworden was en de persaandacht zich van kust tot kust had verspreid, de hele affaire niet langer door kerkoversten kon gemanaged worden. Ze waren ondertussen immers op de hoogte van heel wat andere gevallen van seksueel misbruik, verspreid over het hele land.

Bovendien startte een familie voor het eerst een rechtszaak op tegen het bisdom (Gastal vs. Lafayette) wegens schuldig verzuim in de misbruikzaak van Gilbert Gauthe. Toen de rechtszaak werd aangespannen, nam de openbare aanklager de bewijzen ernstig en dagvaardde.

Over Gilbert Gauthe werden inderdaad feiten gerapporteerd aan de bisschop, meerdere malen zelfs sinds 1972, en het was sindsdien duidelijk dat hij meerdere slachtoffers had gemaakt. Allen minderjarig, behalve één. Hij zou uiteindelijk schuldig pleiten voor 39 gevallen en tot twee jaar cel worden veroordeeld.

De drie hebben dan besloten om te proberen een document op te stellen dat bisschoppen zou kunnen helpen om met nieuwe aanklachten om te gaan die volgens hen niet lang op zich zouden laten wachten. Ze bespraken diverse invalshoeken met verscheidene mensen, waaronder nogal wat bisschoppen die de idee genegen waren. Zo hadden ze meerdere gesprekken met bisschop Quin, die voorstelde om wat ze dan ook zouden redigeren, in het formaat van vraag en antwoord te gieten. Vragen die zo veel mogelijke aspecten en facetten zouden weerspiegelen die het onderwerp zou toelaten. Zo beslisten de drie auteurs heel snel om alle mogelijke informatie te verzamelen en een handleiding of boek samen te stellen in de vorm van vraag en antwoord. De afgewerkte uitgave zou tevens kopieën moeten bevatten van medische artikels over pedofilie, geput uit medische publicaties, waarvan vele bijdragen kwamen van de hand van Dr. Fred Berlin van het hospitaal van de John Hopkins Universiteit, afdeling seksueel afwijkend gedrag.

Ze stelden, naast “The Manual”, ook voor dat de Amerikaanse Nationale Bisschoppenconferentie een comité zou sponsoren dat de supervisie zou nemen over gedetailleerd onderzoek over de meest uiteenlopende aspecten van het probleem: burgerrechtelijk en strafrechtelijke, verzekering, kerkelijk recht, medische aspecten, pastorale aspecten. De onderzoeksresultaten zouden ter beschikking worden gesteld van de bisschoppen zodat ze verregaande duidelijke beslissingen zouden kunnen nemen rond de hele problematiek. Het derde deel van hun voorstel betrof een Crisis Interventie Team, samengesteld uit specialisten (juridisch, medisch, en kerkelijk recht), dat ter beschikking zou staan van welke bisschop dan ook die hun diensten zou kunnen inschakelen voor specifieke en nieuwe gevallen.

Een belangrijk aspect van “The Manual” was een methode om op een uniforme manier aan case-management te kunnen doen. Enkele maanden nadat de Gilbert Gauthe-zaak was losgebarsten, zo tegen midden 1985, liepen al ettelijke processen bij de rechtbanken waarbij zowel priesters als bisschoppen waren betrokken. Sindsdien zijn het er honderden. Er was en is nog steeds geen uniform systeem waardoor het overzicht ontbreekt met betrekking tot jurisprudentie, schadevergoeding, juridische strategieën enz.

Het oorspronkelijke idee voor een Crisis Interventie Team kwam van Ray Mouton. Het voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie kwam van Doyle en werd onmiddellijk door Mouton en Peterson gesteund. Het conceptvoorstel werd aan aartsbisschop Laghi voorgelegd. Doyle hield hem dagelijks over het verloop ervan op de hoogte.

De drie auteurs wilden dus een handleiding samenstellen die aan de bisschoppenconferentie zou overhandigd worden in de hoop dat van daaruit actie zou ondernomen worden. Ze schreven de handleiding zonder opdracht noch financiële compensatie van wie dan ook. Terwijl de eerste ontwerpen werden geschreven sprak Doyle informeel met de ambassadeur van het Vaticaan (Aartsbisschop Pio Laghi) en een reeks bisschoppen en kardinalen over het project. Allen ondersteunden het initiatief. Deze steun ging ook naar de research en het voorstel van een Crisis Interventie Team. Via zijn gesprekken werd het Doyle duidelijk dat ze zeker gealarmeerd waren door de feiten en zich zorgen maakten over de hele problematiek.

Krol Kardy

In mei belde Fr. Peterson naar kardinaal Krol  met de vraag tot een privégesprek.  Deze meeting werd georganiseerd en had plaats in het kantoor van de directeur van de “National Shrine” in april 1985. Kort voor de meeting bezorgde Doyle de kardinaal een ontwerp van het kerkrechtelijk luik van het document dat hij had uitgewerkt. De kardinaal sprak zich tijdens de meeting lovend uit over de ontwerptekst en beloofde ondersteuning voor het hele project. Hij zei dat hij met kardinaal Law en bisschop Quin zou praten. Op 11, 13 en 29 juni schreef hij Doyle over zijn gedane inspanningen om het project te ondersteunen.

Kardinaal Law (Boston) zou ervoor zorgen dat het project de bisschoppenconferentie zou bereiken waar een speciaal ad hoc team binnen zijn eigen comité “research en pastorale gebruiken” zou worden opgericht.

De finale ontwerptekst was rond op 14 mei 1985. Nog diezelfde maand ontmoeten de drie auteurs aartsbisschop Levada, secretaris van kardinaal Law’s comité. Hij sprak zich positief uit over het verloop. Kort daarna echter belde hij Doyle om te melden dat het project geannuleerd werd omdat een ander comité van de bisschoppenconferentie zich met de materie zou bezig houden en dat 2 parallelle comités naar de buitenwereld een verkeerd signaal zou geven. Er werd noch aan Doyle, noch aan iemand anders enige verder commentaar gegeven. Informeel kreeg Doyle te horen dat het comité van de bisschoppenconferentie “Priestly life”, zich met de problematiek zou bezighouden, waarna hij over verdere stappen of initiatieven niets meer over hoorde of las.

De drie auteurs gingen niettemin met hun werkzaamheden door en namen contact met hulpbisschop Quin van Cleveland (toen een actieve steun) die verscheidene kopieën van “The Manual” zou meenemen naar de juni meeting van de bisschoppenconferentie in Collegeville in Maine. Dit deed hij ook effectief. De voorzitter van de bisschoppenconferentie liet na een “executive meeting” waarop gesproken werd over pedofiele priesters weten dat een comité werd opgericht om aan het probleem te werken, aangevoerd door bisschop-op-rust Murphy van Erie (Pennsylvania). Tijdens de gesloten vergadering werden drie punten besproken. Een aangebracht door Wilfred Caron (burgerlijk recht), een door bisschop Kenneth Angell en een laatste door Dr. Richard Issel (psycholoog). De bisschoppen rapporteerden aan de gesloten vergadering dat de psycholoog uitstekend was en de juristen minder dan middelmatig. Dit werd Doyle schriftelijk bevestigd door kardinaal Krol in een persoonlijke brief.

Later, in juni, vernam Doyle van bisschop Bevilacqua van Pittsburg (nu kardinaal van Philadelphia) dat in werkelijkheid geen nieuw comité werd opgericht en verder geen stappen werden ondernomen noch gepland. De aankondiging van het comité bleek niets meer dan een pr-stunt. Doyle heeft verder over het comité “Priestly life” nooit nog iets gehoord of gelezen.

Bisschop Malone vermelde nochtans specifiek tijdens een persconferentie dat dergelijk comité werd opgericht. In een officiële verklaring uit 1993, afgeleverd door Sr. Evart, secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie werd opgetekend dat het eerste en enige comité dat ooit werd opgericht en waarvan bisschop Kinney aan het hoofd stond, dateert uit 1993!

Over “The Manual” hoorden de drie auteurs niets meer. Ze wisten niet wat ermee gebeurde binnen de bisschoppenconferentie. Sommige bronnen bevestigden dat “The Manual” nooit ernstig werd voorgesteld als werkmiddel door de conferentie. Het bestaan ervan was echter genoegzaam bekend. De auteurs werden echter nooit op de hoogte gebracht van de gevolgde interne procedure binnen de bisschoppenconferentie, noch kregen ze bevestiging dat er hoe dan ook een interne procedure zou bestaan. Jaren later, nadat “The Manual” bekend werd bij advocaten en journalisten zouden deze laatste regelmatig bisschoppen en andere leden van de conferentie vragen of ze over het bestaan ervan op de hoogte waren, en indien ja, waarom nooit enige actie werd ondernomen, zomin vroeger als vandaag. Deze vragen lokten de meest uiteenlopende antwoorden uit, waarvan geen enkel antwoord de waarheid accuraat weergeeft.

Het algemene antwoord van de bisschoppenconferentie, meestal geformuleerd door Mark Chopko, woordvoerder van de conferentie, was dat de bisschoppenconferentie alles al wist en kende wat in “The Manual” stond, alle gepaste acties werden ondernomen en het pleidooi voor een speciaal comité en een ad hoc team van experts ongepast was. Hij voegde eraan toe dat de bisschoppenconferentie geen andere bisdommen tot iets kon verplichten, dat het allemaal te duur zou zijn, dat de drie auteurs erop uit waren zichzelf te promoten bij bisschoppen en zo probeerden geld te verdienen aan de hele problematiek. Hij zei ook problemen te hebben met de inhoud van het document.

Doyle is ervan overtuigd dat de initiële motivering voor het samenstellen van “The Manual” en het voorstellen van actiepunten verkeerd begrepen werd, of misschien wel begrepen maar opzettelijk foutief werd uitgelegd door de leden van de bisschoppenconferentie die niet ophielden ondermijnende opmerkingen te formuleren over het hele project om zo de eigen verantwoordelijkheid te verleggen naar anderen. Of minstens een soort excuus was voor het niet ondernemen van enig initiatief nadat expliciet gewaarschuwd werd over het probleem, de omvang ervan en de mogelijke gevolgen.

Sindsdien (1985 tot vandaag) was er geen enkel contact tussen de bisschoppenconferentie en de drie auteurs.

In december 1985 werd een exemplaar van “The Manual” verstuurd naar elke bisschop in de V.S. vanuit het St. Luke Institute. Niemand reageerde. Sommige bisschoppen, ernaar gevraagd door journalisten, zeiden dat zij het document nuttig vonden. De bisschoppenconferentie zelf echter heeft het bestaan van “The Manual” nooit erkend noch heeft ze ooit contact opgenomen met een van de drie auteurs, ook niet na meetings die erover plaats vonden binnen de conferentie.

In oktober 1992 ontving Doyle welgeteld 1 brief als antwoord op zijn schrijven aan de voorzitter, nadat de eerste “VOCAL”-conferentie plaatsvond met slachtoffers van seksueel misbruik in Chicago.

Minstens vijf tot zes maal besprak de bisschoppenconferentie het probleem in plenaire zitting, de eerste in juni 1985. Sprekers toen waren o.a. een psycholoog (Dr. Richard Issell uit Chicago), een jurist (Wilfred Caron) en een bisschop (Kenneth Angell uit Providence, R.I.). De bisschoppenconferentie publiceerde tevens minstens vijf verscheidene standpunten over het onderwerp en verstuurde meerdere memo’s aan alle bisschoppen.

De voorstellen uit 1985 omtrent een onderzoekscomité en een Crisis Interventie Team raakten nergens. Het was pas acht jaar later, in oktober 1993 dat de bisschoppenconferentie een comité oprichtte, voorgezeten door bisschop John Kinney van Bismarck, om het probleem te bestuderen. Er vonden enkele samenkomsten plaats maar meer dan een rapport kwam er nooit uit voort.

Het hoofdstuk kerkelijk recht uit “The Manual” werd in de zomer van 1985 door Doyle nog aangepast om beter de stelling te onderbouwen dat de algemene regel destijds niet was om priester/daders kerkrechterlijk te schorsen, maar ze op administratief verlof te sturen.

Reacties staat uit voor The Manual

Opgeslagen onder Essays

Schuldig verzuim

VRT-De Redactie – Opinie, 25/6/2012

Monsignor William J. Lynn, de voormalige rechterhand van kardinaal Anthony J. Bevilacqua, werd vrijdag 22 juni 2012 in Philadelphia schuldig bevonden aan het in gevaar brengen van kinderen en wordt zo officieel de eerste vertegenwoordiger van de Katholieke kerk in de Verenigde Staten die veroordeeld werd wegens het verzwijgen van seksueel misbruik door priesters waarvoor hij verantwoordelijk was. Hij riskeert 3,5 tot 7 jaar cel.

Het verdict wordt door zowel het Openbaar Ministerie als door de slachtofferorganisaties in de VS als een keerpunt beschouwd in de benadering van schandalen rond seksueel misbruik die de Katholieke Kerk sinds jaren belasten. Belgische slachtoffers voelen het precies zo aan.

Dit alles kadert binnen een jarenlange strijd voor gerechtigheid met als doel de kerkelijke oversten verantwoordelijk te stellen voor het verstoppen en verzwijgen van bewijsmateriaal en het stiekem en schaamteloos verplaatsen van pedofiele priesters naar parochies of instellingen die het verleden van de daders niet kennen. Waar ze echter onbezwaard kunnen hervallen in hun oude gewoontes en opnieuw een gevaar vormen voor kinderen waarmee ze in contact komen.

In een interview in De Morgen van 17/9/2011 kreeg ik de vraag:
“Maar wat als de kerk niet muteert? Wat als een jarenlange procesgang op niks uitdraait. Geen geld, geen excuses, geen eerherstel. Dan blijft misschien alleen het stigma over?”

Mijn antwoord daarop werd vrijdag bevestigd:
“Dan zal het niet aan de argumentatie liggen, noch aan de juridische onderbouw, noch aan een gebrek aan bewijsmateriaal. Maar er zal een uitspraak komen, in welk land dan ook, voor welk gerecht dan ook, die er geen twijfel zal laten over bestaan dat zowel de huidige paus als bepaalde bisschoppen in de wereld flagrante inbreuken hebben gepleegd tegen de fundamentele mensenrechten van tienduizenden slachtoffers.”

Geen genoegdoening, maar rechtvaardigheid

Dit gaat niet over genoegdoening, maar over ‘immanente rechtvaardigheid’. De rechtvaardigheid die door de gezagsdragers binnen de Belgische kerk en congregaties angstvallig wordt bestreden. Het aartsbisdom van Philadelphia betaalde sinds begin 2011 alleen al een slordige 11,6 miljoen US$ aan advocaten en intern onderzoek naar aanleiding van de gevallen van seksueel misbruik, los van wat ze aan slachtoffers betaalden. De kans is reëel dat het aartsbisdom alsnog in beroep gaat tegen de veroordeling.

Nicholas Cafardi, professor canoniek recht aan de universiteit van Duquesne, en dus collega van Rik Torfs, verklaarde dat na deze uitspraak noch bisschoppen noch andere hogere gezagsdragers binnen de Katholieke kerk zullen ontsnappen aan hun verantwoordelijkheid over wat fout liep rond dit soort misdrijven. “Priesters die kinderen seksueel misbruikten en hun oversten die erop toekeken zonder in te grijpen, zullen de juridische gevolgen van hun daden niet langer kunnen ontlopen.” Zo Cafardi.

Dit stelt de uitspraken van kerkjurist Rik Torfs van juni 2011 in een totaal ander daglicht: “Men probeert de kerk af te schilderen als een misdadige organisatie die alles heel mooi in kaart heeft gebracht, maar zelfs in Amerika zou dit waarschijnlijk niet lukken omdat het heel moeilijk is om het oorzakelijk verband vast te leggen tussen de houding van de kerkleiders hier en wat er allemaal concreet is gebeurd aan seksueel misbruik.” Torfs had een jaar geleden het onverkrampte inzicht moeten hebben dat zijn buitenlandse collega’s blijkbaar al langer siert. Met een hoge neus voor de camera, zonder enige voorkennis en inzage in de motivatie van de groepsvordering die door een groep Belgische slachtoffers werd ingeleid, poneerde hij: “… Ik hoop dat iedereen koelbloedig blijft en niet al te veel verwacht van iets dat nooit gezien is in Europa.” Nog niet, dus. Philadelphia zou zijn ongelijk kunnen bewijzen.

De Openbare Aanklager van Philadelphia, R. Seth Williams zei vrijdag dat deze uitspraak een duidelijk signaal geeft aan de hele wereld: “Deze monumentale rechtszaak zal de manier waarop instellingen zoals de kerk met dit misdrijf omspringen grondig revolutioneren.”

Het aartsbisdom verkondigde in een persbericht vrijdag: “De lessen die we het laatste jaar hebben getrokken hebben ervoor gezorgd dat we de veiligheid van onze mensen beter zullen beschermen.” En ze formuleerden een oprechte verontschuldiging tegenover de slachtoffers.

Primeur

Dat deze primeur ook belangrijk is voor lopende rechtszaken in België is duidelijk. De rechtbank van Philadelphia sprak zich uit over wat bij ons “schuldig verzuim” wordt genoemd. En dat is precies de inzet van zowel justitie als de groepsvordering ingesteld door de groep slachtoffers die de verantwoordelijken voor het verzwijgen, toedekken, en ontkennen van seksueel misbruik binnen de Belgische kerk en congregaties aanklagen.

Ondertussen is het maatschappelijk inzicht gelukkig dermate geëvolueerd dat iedereen de zekerheid wilt dat nergens, zelfs niet in een vergeten dorp, een dader van seksueel misbruik met minderjarigen nog actief is en rondhangt in de buurt van kinderen. En omdat de kerk blijkbaar niet in staat is geweest daarvoor te zorgen en daders uit gemak naar een nieuwe parochie of het buitenland verschoof, moet en zal een rechtbank ervoor zorgen dat diegenen die dit organiseerden hun straf niet ontlopen. De in Philadelphia veroordeelde Lynn verzweeg gegevens over en verplaatste 35 inmiddels gekende pedopriesters.

Vandaag is de eerste dag van de rest van het leven van slachtoffers van seksueel misbruik die vechten voor een zelfde rechtvaardige behandeling en erkenning als deze die vrijdag in Philadelphia werd gegeven. Ze blijven de Belgische bisschoppen en hoofden van de congregaties voor hun persoonlijke verantwoordelijkheid plaatsen en willen ze door de rechtbank laten veroordelen voor schuldig verzuim, schending van de mensenrechten, en het niet verlenen van hulp aan personen in gevaar. Omdat ook dit, of men het wilt of niet, voor velen deel uitmaakt van het moeilijke en lange proces naar erkenning en mogelijke afsluiting van het opgelopen trauma.

Stap voor stap. Ook als de handen soms jeuken.

(Op dit opiniestuk reageerden 14 lezers)

Reacties staat uit voor Schuldig verzuim

Opgeslagen onder Essays

Paus in de lift

Verschenen in De Standaard, 7 juni 2010

Het was een drukke dag geweest en ik wou zo snel mogelijk naar mijn kamer. Een late namiddag in Rome, op het nippertje nog een hotel gevonden niet al te ver van het Sint-Pietersplein, iemand die deze dagen – voor welke reden dan ook – in de buurt van het Vaticaan wil rondhangen, stelt vast dat in Italië de toeristische sector nog geen crisis kent. Ik wist dat het kamertje van vier op vier haar prijs niet waard was, maar wat doet een mens al niet voor een artikel.

Toen de enge lift tussen twee verdiepingen met een knerpende ruk bleef stilstaan, hoorde ik de man die achter me stond “Scheiße” zeggen. Ik keek vluchtig om, maar zocht snel de alarmknop en drukte. Er klonk één hol belsignaal, precies zoals ik me dat herinner van tram 7 die me in Gent naar school bracht en zijn halte verliet. Eén bel, ergens onder ons, hopelijk dicht genoeg bij de dikke man achter de kleine receptiedesk die daarnet nog ongestoord zijn krant zat te lezen.

Ik keek om en zag iemand die me in dit verre Rome niet als onbekend voorkwam. Die witte haren, de hese hoge “Scheiße”, zijn ouderdom, “Herr Ratzinger?” vroeg ik op goed geluk. Nou ja, geluk, ik zat nu niet bepaald op de Paus te wachten deze dagen, ik had de hele dag een lang gesprek met iemand die niet zo op hem gesteld was en dat laat natuurlijk ook sporen na.

Toen iemand van beneden iets naar boven schreeuwde, lachte de man kort en zei in het Duits: “Hij stuurt een technieker, maar er is veel verkeer. Ik hoop dat u geen dringende afspraak hebt?” Die had ik wel, met een dunne straal lichtbruin water uit de kleine douchekop en met het harde matras met groezelig dekbed.

“Roel,” zei ik en stak mijn hand naar hem uit. “Joseph,” zei hij en schudde wat oesterig en te lang. Toen ik hem vroeg of hij een dubbelganger was, mompelde hij dat een Paus niet mag liegen. Hij tekende met zijn duim een kruisje op de vier houten wanden van de liftkooi. “Biechtgeheim,” zei hij, “ik ben op weg naar mijn vrouw op kamer 31. Die is voor kort uit Duitsland overgevlogen om even bij te praten, en omdat Ursula nogal een grote mond opzet en het Vaticaan grote oren heeft…”

“Biechtgeheim heeft voor mij geen betekenis,” zei ik. “Trotzdem,” antwoordde hij op zoek naar een barst, een teken van vertrouwen, of wat daarvoor moest doorgaan. Ik moest kort leunen, scherpte mijn blik en pijnigde mijn hersenen… ik werd hier bijna zeker in de maling genomen.

“Uw vrouw?” vroeg ik. “Ja, ze stond vandaag op het Sint-Pietersplein, ik zag haar in het nieuws tussen alle andere vrouwen van priesters die opkwamen voor hun rechten. Ik had nochtans gevraagd dat niet te doen, maar wie ben ik?” Hij trok zijn neus op en vroeg: “En wat brengt u naar Rome? Uw geloof of uw niet geloven? Stoort het als ik even ga zitten?”

Hij klapte een stoeltje van de andere wand van de lift naar omlaag en liet zich zakken zoals alleen een oude, oververmoeide man dat kan, met een zware zucht na het neerkomen. “In zwart kostuum, zo zonder ornaat, zou u om het even wie kunnen zijn, ware het niet dat u zich de jongste maanden nogal in het nieuws hebt gewerkt,” zei ik. Hij keek me waterachtig aan en knikte. “Ik mis de schaduw,” zei hij zacht, “de lommerte van mijn studeerkamer en mijn boeken. Hoe veel kan een oude geestelijke zoals ik nog aan. Oostenrijker?” vroeg hij.

“Vlaming in Wenen,” antwoordde ik en liet me op de bodem van de lift zakken. Ik stond snel weer recht, ik wou niet moeten opkijken, daarvoor ontbrak me het respect. Toen ik na een korte stilte nogmaals op de gele knop drukte begon hij te lachen. “Maakt geen verschil, alles heeft zijn beloop, daar kan u, ja zelfs ik niets aan veranderen.”

“Het is dit ‘zelfs ik’ dat u gebruikt waarin het hele probleem gebakken zit,” zei ik, “ik hoop dat u dat begrijpt?” Hij dacht even na. “Ik voel wel dat u me niet mag, en daar hebt u waarschijnlijk alle redenen voor, maar kunnen we elkaar niet tutoyeren, de ruimte is te klein voor “u”, straks gaat de zuurstof nog uit aan “u”. Ik schreef in gedachten het woord “Paus” in mijn volgende column met een kleine “p”, die gedachte beviel me wel, ik had het eerder moeten doen. “Ik begrijp de haat, geloof me, ik begrijp de haat die ik op deze vierkante meter samen met jou moet inademen.” De paus had niet op mijn antwoord gewacht, misschien doen pausen dat niet, uit angst dat het antwoord hen niet bevalt.

“U zegt dat u de haat begrijpt,” zei ik, “waarom horen we dat dan niet? Waar blijft die verschrikkelijk luide schreeuw van verontwaardiging, de woede-uitbarsting die tot actie leidt? Waar blijft de nieuwe nederigheid, de hervorming waar de basis van de kerk om smeekt? Waar blijft een geloofwaardige volledige zuivering van het apparaat waar u aan het hoofd van staat? Waar blijft het antwoord op de vragen van de overlevers?”

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, haalde een nicorette uit zijn vestzak en bood er mij een aan. “Ik ken het leed van de slachtoffers waarover je spreekt,” antwoordde hij en slikte wat overvloedig speeksel weg. “Dat kent u niet.” Het tutoyeren lukte me niet. “Het zijn overlevers,” zei ik, “want de slachtofferrol hebt u zichzelf toebedeeld, door te proberen uit te leggen hoe het zover is kunnen komen en daarvoor begrip te vragen, door te spreken over ‘andere tijden’, door te proberen het gewicht van de kerk te minimaliseren en te claimen dat het in gezinnen veel erger is, veel vaker voorkomt, dus dat het in uw kerk nog zo erg niet is. Door geen concrete voorstellen tot compensatie te formuleren, door het onderzoek naar alle gevallen binnen eigen commissies te organiseren, door geen openheid te geven in alle dossiers en daders op een gepaste manier uit de kerk te verwijderen.

“Ik heb met slachtoffers gepraat,” zei hij luider. “Maar hebt u er ook naar geluisterd?” vroeg ik. Hij vroeg of ik dan precies wist wat ze willen? Of ik een duidelijke lijn zag in hoe ze geholpen wilden worden? Ik nam een in vier gevouwen blad uit mijn binnenzak en gaf het hem. Hij nam een bril en begon te lezen. “Excuses van de paus als hoofd van de kerk,” en las stil verder. Dan weer luidop “Excuses van de paus als Vaticaans staatshoofd,” gevolgd door stilte, “Openbaar maken van alle dossiers,” mmm, “Kerkelijk Recht ondergeschikt…”, “Burgerlijke meldpunten onder de controle van het gerecht….”, hij las zo’n vijf minuten in stilte verder. Hij vouwde het blad zorgvuldig langs de vouwlijnen dicht en stak het in zijn binnenzak zonder te vragen. Hij vroeg zich af waarom hem niemand ooit zo’n lijst gegeven heeft. “Wanneer heeft u er dan ooit naar gevraagd?” vroeg ik.

“En aan hoeveel klachten zitten jullie ondertussen in België?” vroeg hij en stak zijn bril weg. “Volgens mijn gegevens uit alle meldpunten, ook die buiten de Commissie, aan 951,” zei ik.

“Hoe tel je?” vroeg hij.

“Correct,” zei ik. Hij keek lang in mijn ogen en boog uiteindelijk het hoofd.

De lift schoot kort omhoog. “Elk beetje beweging in deze situatie is welkom,” zei de paus. “Zo is het met alles. Weet je dat Simenon ooit met Hitler in dezelfde Parijse lift zat?” vroeg ik.

“Ik hoop dat je daar niet te veel parallellen uit trekt?”

Ik zei dat ik mezelf nooit op het niveau van Simenon zou durven inschatten, en  hoewel hij begreep wat ik bedoelde, stak hij zijn hand uit en zuchtte: “Ik moet hier eens rustig over nadenken, maar onmogelijk is jouw lijstje niet.” Ik zei dat hij dat beter niet te rustig zou doen. Dat al te veel tijd is verlopen en de situatie er niet beter op wordt.

“Na het WM,” zei hij, “na het WM, ik krijg eerder niet al mijn mensen bijeen, ik moet hen ook wat rust gunnen. Kom je op 1 oktober ook betogen op het Sint-Pietersplein?” Ik zei dat ik zeker in de buurt zou zijn. “Goed, dan zien we elkaar hopelijk nog eens.”

Toen eindelijk de liftdeuren opengingen stapte hij diep voorovergebogen de gang in. Aan deur 31 draaide hij zich kort om. Hij haalde het papier uit zijn binnenzak en stak het als afscheid in de lucht. “Wanneer verschijnt het?” riep hij.

“Hopelijk voor het WM!”

Ik liet zijn biechtstoel voor wat hij was en nam de trap naar mijn verdieping. Te veel lift in Rome is voor niemand goed!

P.S. Op 11 juni 2010 (vier dagen na het verschijnen van deze column) vroeg de paus in naam van de kerk vergiffenis voor het pedofilieschandaal tijdens een eucharistieviering in aanwezigheid van 15.000 priesters op het Sint-Pietersplein in Rome.

P.P.S. Op 28 februari 2013 trad deze paus af. In de hoop hem snel te vergeten.

Reacties staat uit voor Paus in de lift

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

De kerk en haar financiën: ook financieel schandaal bedreigt Paus Benedikt XVI

De bank van het Vaticaan, IOR, heeft rekeningen bij UniCredit Group (actief in 22 landen in Europa, wereldwijd 165.000 werknemers). In Oostenrijk bezit de groep Bank Austria. De Italiaanse maffia staat onder verdacht gelden uit ontdoken belastingen en witwasoperaties via rekeningen van de Vaticaanbank IOR (Instituto per le Opere di Religione) bij UniCredit ondergebracht te hebben.

Binnen de Italiaanse bankwereld bereidt zich een zwaar onweer voor als we Der Standard van 1 juni mogen geloven. Volgens de televisie-uitzending Reporter werden onderzoekingen uit 2006 over de weinig transparante transacties van de Vaticaanbank met de toenmalige Banca di Roma (nu UniCredit) in de kiem gesmoord. Dit werd door een ex-medewerker van die bank in een verklaring bevestigd. Reporter wordt zowat als het enige ernstige programma voor onderzoeksjournalistiek in Italië beschouwd.

Sinds meer dan 25 jaar bezit IOR een rekening bij het Banca di Roma-filiaal aan de grens tussen het Vaticaan en Italië, aan de Via della Conciliazione, waarop maandelijks transacties ter hoogte van 60 miljoen Euro verliepen. Bij de meeste van deze transacties is het niet geweten wie de titularis van de rekening is, noch wie er gebruik kan van maken. De rekeningen zouden op naam van de Vaticaanbank lopen, wat een inbreuk is tegen de Italiaanse wetgeving op witwaspraktijken.

Toen in 2006 bij een interne bankcontrole bij de Banca di Roma de verdachte IOR-rekening werd opgemerkt, zou niet alleen de bankpresident Cesare Geronzi maar ook het gerecht hiervan op de hoogte zijn gebracht. Geronzi gaf zijn vertrouwensman, Marco Simeon, die voor de relaties met het Vaticaan verantwoordelijk was, de opdracht zich met het probleem bezig te houden. Deze laatste zou erin geslaagd zijn het onderzoek naar deze affaire op een dood spoor te doen belanden.

In 2009 werd door het gerecht een nieuw onderzoek ingeleid. Het gaat om een klacht tegen onbekenden. Omdat het filiaal van UniCredit zich op Italiaanse bodem bevindt vallen de rekeningen onder de bevoegdheid van het Italiaans bankentoezicht. IOR wordt als buitenlandse bank beschouwd. Het vermoeden dat IOR als draaischijf voor het witwassen van maffiageld werd gebruikt wordt alsmaar groter. De ex-president van de IOR-bank, Kardinaal Marcinkus, heeft tot vandaag het gerecht kunnen ontlopen dank zij zijn diplomatenpaspoort. Zijn opvolger Angelo Caloia nam in de herfst van 2009 ontslag, naar aanleiding van een sterk vermoeden over zijn té enge banden met de maffia.

De journalist Gianluigi Nuzzi, beschrijft in zijn boek ‘Vaticano Spa’ (‘De BV Vaticaan’), de hooghartige houding ten aanzien van financiële ethiek. Vooral het feit dat enorme politieke omkoopbedragen door het IOR werden witgewassen en gedoneerde fondsen voor charitatieve doeleinden, of betalingen voor het opdragen van missen voor de zielenheil van de doden, door medewerkers van de bank te hooi en te gras een onwettige bestemming kregen. Volgens Philip Willan (“Geheimen van het Vaticaan: omkoping, witwassen en maffiaconnecties verschenen in juni 2009) zijn de aantijgingen van Nuzzi gebaseerd op interne documenten van het IOR, meer dan 4.000 in totaal, die door een ontevreden bankemployé uit het Vaticaan werden gesmokkeld. Volgens de Duitse financiële krant Handelsblatt is het IOR een van de meest ondoorzichtige banken ter wereld. Benieuwd of de Vaticaanse lobby er ook dit keer zal in slagen het geheim rond anonieme transacties via IOR in de doofpot te houden. Want het Vaticaan heeft zo haar eigen doofpotten, zoals we ondertussen weten. Het eigen vermogen van het Vaticaan wordt door het weekblad Der Spiegel op 1,4 miljard euro geraamd.

Reacties staat uit voor De kerk en haar financiën: ook financieel schandaal bedreigt Paus Benedikt XVI

Opgeslagen onder Essays

Onbarmhartige Samaritanen…

Ik vind de vergelijking onmenselijk cynisch en denigrerend, vooral als die komt van iemand die de situatie misbruikt. Hij noemt het een vorm van straatprostitutie, maar dan (bijna) uitsluitend door mannen bedreven.

Het zijn hoofdzakelijk Polen, Serviërs en Roemenen die van ’s morgens vroeg bij minder dan 3° Celsius verkleumd rond de bouwmarkten hangen, in de hoop letterlijk te worden opgepikt door een klant. Vijf euro per uur verdienen ze, af en toe, niet elke dag is een goede dag. Het zijn huisvaders die hun gezinnen achterlieten in hun dorpen, in de stille hoop in de ‘grote stad’ die Wenen is, in het ‘welvarende land’ dat Oostenrijk is in twee weken de 500 euro zwart te verdienen waar de familie thuis twee maanden kan mee overleven. Zwart, omdat de arbeidsvergunning ontbreekt.

Dat de Polen al heel vroeg in de morgen schnaps drinken om de kou te verdrijven stoort de Roemenen niet. Die spelen een of ander bordspel om de tijd te doden, de verveling en de kou te bekampen tot een klein busje stopt. Dan draait de bestuurder het raam rechts open, steekt eerst drie vingers in de lucht, werk voor drie mannen, dan vijf voor vijf uren werk, en dan nog eens vijf, vijf euro per uur. ‘Metsers’ roept hij.

Wie het eerst in het busje springt heeft de job. Ze rijden weg zonder te praten, zonder te weten waarheen. Misschien naar een werf in een afgelegen district van waar ze na het werk meer dan een uur moeten terug wandelen om ergens te kunnen overnachten waar niemand weet dat ze er overnachten.

Arbeidsprostitutie. Het zal wel van alle tijden zijn, het zal wel levensnoodzakelijk zijn, voor hun plezier staan deze mannen niet aan de bouwmarkt op straat, vaak dagen of weken zonder werk, wachtend op een busje en een stukje van de koek.

Dat diezelfde welstellende opdrachtgever dan ’s avonds naar huis rijdt, naar de warmte van zijn gezin, en zelf op de zwartwerkers meer heeft verdiend dan de mannen zelf, stoort hem niet. En dat hij aan tafel, met vrienden bij een glas bier oeverloos en schaamteloos zit te klagen over hoe zijn mooie land vervuild wordt door al die illegale migranten, vindt hij ook normaal.

Op kerstavond zit hij uitgedost met zijn gezin in de kerk en koopt zich via het offerblok op de kap van zijn medemens een geweten.

Reacties staat uit voor Onbarmhartige Samaritanen…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays