Categorie archief: Essays

Schuldig verzuim

VRT-De Redactie – Opinie, 25/6/2012

Monsignor William J. Lynn, de voormalige rechterhand van kardinaal Anthony J. Bevilacqua, werd vrijdag 22 juni 2012 in Philadelphia schuldig bevonden aan het in gevaar brengen van kinderen en wordt zo officieel de eerste vertegenwoordiger van de Katholieke kerk in de Verenigde Staten die veroordeeld werd wegens het verzwijgen van seksueel misbruik door priesters waarvoor hij verantwoordelijk was. Hij riskeert 3,5 tot 7 jaar cel.

Het verdict wordt door zowel het Openbaar Ministerie als door de slachtofferorganisaties in de VS als een keerpunt beschouwd in de benadering van schandalen rond seksueel misbruik die de Katholieke Kerk sinds jaren belasten. Belgische slachtoffers voelen het precies zo aan.

Dit alles kadert binnen een jarenlange strijd voor gerechtigheid met als doel de kerkelijke oversten verantwoordelijk te stellen voor het verstoppen en verzwijgen van bewijsmateriaal en het stiekem en schaamteloos verplaatsen van pedofiele priesters naar parochies of instellingen die het verleden van de daders niet kennen. Waar ze echter onbezwaard kunnen hervallen in hun oude gewoontes en opnieuw een gevaar vormen voor kinderen waarmee ze in contact komen.

In een interview in De Morgen van 17/9/2011 kreeg ik de vraag:
“Maar wat als de kerk niet muteert? Wat als een jarenlange procesgang op niks uitdraait. Geen geld, geen excuses, geen eerherstel. Dan blijft misschien alleen het stigma over?”

Mijn antwoord daarop werd vrijdag bevestigd:
“Dan zal het niet aan de argumentatie liggen, noch aan de juridische onderbouw, noch aan een gebrek aan bewijsmateriaal. Maar er zal een uitspraak komen, in welk land dan ook, voor welk gerecht dan ook, die er geen twijfel zal laten over bestaan dat zowel de huidige paus als bepaalde bisschoppen in de wereld flagrante inbreuken hebben gepleegd tegen de fundamentele mensenrechten van tienduizenden slachtoffers.”

Geen genoegdoening, maar rechtvaardigheid

Dit gaat niet over genoegdoening, maar over ‘immanente rechtvaardigheid’. De rechtvaardigheid die door de gezagsdragers binnen de Belgische kerk en congregaties angstvallig wordt bestreden. Het aartsbisdom van Philadelphia betaalde sinds begin 2011 alleen al een slordige 11,6 miljoen US$ aan advocaten en intern onderzoek naar aanleiding van de gevallen van seksueel misbruik, los van wat ze aan slachtoffers betaalden. De kans is reëel dat het aartsbisdom alsnog in beroep gaat tegen de veroordeling.

Nicholas Cafardi, professor canoniek recht aan de universiteit van Duquesne, en dus collega van Rik Torfs, verklaarde dat na deze uitspraak noch bisschoppen noch andere hogere gezagsdragers binnen de Katholieke kerk zullen ontsnappen aan hun verantwoordelijkheid over wat fout liep rond dit soort misdrijven. “Priesters die kinderen seksueel misbruikten en hun oversten die erop toekeken zonder in te grijpen, zullen de juridische gevolgen van hun daden niet langer kunnen ontlopen.” Zo Cafardi.

Dit stelt de uitspraken van kerkjurist Rik Torfs van juni 2011 in een totaal ander daglicht: “Men probeert de kerk af te schilderen als een misdadige organisatie die alles heel mooi in kaart heeft gebracht, maar zelfs in Amerika zou dit waarschijnlijk niet lukken omdat het heel moeilijk is om het oorzakelijk verband vast te leggen tussen de houding van de kerkleiders hier en wat er allemaal concreet is gebeurd aan seksueel misbruik.” Torfs had een jaar geleden het onverkrampte inzicht moeten hebben dat zijn buitenlandse collega’s blijkbaar al langer siert. Met een hoge neus voor de camera, zonder enige voorkennis en inzage in de motivatie van de groepsvordering die door een groep Belgische slachtoffers werd ingeleid, poneerde hij: “… Ik hoop dat iedereen koelbloedig blijft en niet al te veel verwacht van iets dat nooit gezien is in Europa.” Nog niet, dus. Philadelphia zou zijn ongelijk kunnen bewijzen.

De Openbare Aanklager van Philadelphia, R. Seth Williams zei vrijdag dat deze uitspraak een duidelijk signaal geeft aan de hele wereld: “Deze monumentale rechtszaak zal de manier waarop instellingen zoals de kerk met dit misdrijf omspringen grondig revolutioneren.”

Het aartsbisdom verkondigde in een persbericht vrijdag: “De lessen die we het laatste jaar hebben getrokken hebben ervoor gezorgd dat we de veiligheid van onze mensen beter zullen beschermen.” En ze formuleerden een oprechte verontschuldiging tegenover de slachtoffers.

Primeur

Dat deze primeur ook belangrijk is voor lopende rechtszaken in België is duidelijk. De rechtbank van Philadelphia sprak zich uit over wat bij ons “schuldig verzuim” wordt genoemd. En dat is precies de inzet van zowel justitie als de groepsvordering ingesteld door de groep slachtoffers die de verantwoordelijken voor het verzwijgen, toedekken, en ontkennen van seksueel misbruik binnen de Belgische kerk en congregaties aanklagen.

Ondertussen is het maatschappelijk inzicht gelukkig dermate geëvolueerd dat iedereen de zekerheid wilt dat nergens, zelfs niet in een vergeten dorp, een dader van seksueel misbruik met minderjarigen nog actief is en rondhangt in de buurt van kinderen. En omdat de kerk blijkbaar niet in staat is geweest daarvoor te zorgen en daders uit gemak naar een nieuwe parochie of het buitenland verschoof, moet en zal een rechtbank ervoor zorgen dat diegenen die dit organiseerden hun straf niet ontlopen. De in Philadelphia veroordeelde Lynn verzweeg gegevens over en verplaatste 35 inmiddels gekende pedopriesters.

Vandaag is de eerste dag van de rest van het leven van slachtoffers van seksueel misbruik die vechten voor een zelfde rechtvaardige behandeling en erkenning als deze die vrijdag in Philadelphia werd gegeven. Ze blijven de Belgische bisschoppen en hoofden van de congregaties voor hun persoonlijke verantwoordelijkheid plaatsen en willen ze door de rechtbank laten veroordelen voor schuldig verzuim, schending van de mensenrechten, en het niet verlenen van hulp aan personen in gevaar. Omdat ook dit, of men het wilt of niet, voor velen deel uitmaakt van het moeilijke en lange proces naar erkenning en mogelijke afsluiting van het opgelopen trauma.

Stap voor stap. Ook als de handen soms jeuken.

(Op dit opiniestuk reageerden 14 lezers)

Reacties uitgeschakeld voor Schuldig verzuim

Opgeslagen onder Essays

Paus in de lift

Verschenen in De Standaard, 7 juni 2010

Het was een drukke dag geweest en ik wou zo snel mogelijk naar mijn kamer. Een late namiddag in Rome, op het nippertje nog een hotel gevonden niet al te ver van het Sint-Pietersplein, iemand die deze dagen – voor welke reden dan ook – in de buurt van het Vaticaan wil rondhangen, stelt vast dat in Italië de toeristische sector nog geen crisis kent. Ik wist dat het kamertje van vier op vier haar prijs niet waard was, maar wat doet een mens al niet voor een artikel.

Toen de enge lift tussen twee verdiepingen met een knerpende ruk bleef stilstaan, hoorde ik de man die achter me stond “Scheiße” zeggen. Ik keek vluchtig om, maar zocht snel de alarmknop en drukte. Er klonk één hol belsignaal, precies zoals ik me dat herinner van tram 7 die me in Gent naar school bracht en zijn halte verliet. Eén bel, ergens onder ons, hopelijk dicht genoeg bij de dikke man achter de kleine receptiedesk die daarnet nog ongestoord zijn krant zat te lezen.

Ik keek om en zag iemand die me in dit verre Rome niet als onbekend voorkwam. Die witte haren, de hese hoge “Scheiße”, zijn ouderdom, “Herr Ratzinger?” vroeg ik op goed geluk. Nou ja, geluk, ik zat nu niet bepaald op de Paus te wachten deze dagen, ik had de hele dag een lang gesprek met iemand die niet zo op hem gesteld was en dat laat natuurlijk ook sporen na.

Toen iemand van beneden iets naar boven schreeuwde, lachte de man kort en zei in het Duits: “Hij stuurt een technieker, maar er is veel verkeer. Ik hoop dat u geen dringende afspraak hebt?” Die had ik wel, met een dunne straal lichtbruin water uit de kleine douchekop en met het harde matras met groezelig dekbed.

“Roel,” zei ik en stak mijn hand naar hem uit. “Joseph,” zei hij en schudde wat oesterig en te lang. Toen ik hem vroeg of hij een dubbelganger was, mompelde hij dat een Paus niet mag liegen. Hij tekende met zijn duim een kruisje op de vier houten wanden van de liftkooi. “Biechtgeheim,” zei hij, “ik ben op weg naar mijn vrouw op kamer 31. Die is voor kort uit Duitsland overgevlogen om even bij te praten, en omdat Ursula nogal een grote mond opzet en het Vaticaan grote oren heeft…”

“Biechtgeheim heeft voor mij geen betekenis,” zei ik. “Trotzdem,” antwoordde hij op zoek naar een barst, een teken van vertrouwen, of wat daarvoor moest doorgaan. Ik moest kort leunen, scherpte mijn blik en pijnigde mijn hersenen… ik werd hier bijna zeker in de maling genomen.

“Uw vrouw?” vroeg ik. “Ja, ze stond vandaag op het Sint-Pietersplein, ik zag haar in het nieuws tussen alle andere vrouwen van priesters die opkwamen voor hun rechten. Ik had nochtans gevraagd dat niet te doen, maar wie ben ik?” Hij trok zijn neus op en vroeg: “En wat brengt u naar Rome? Uw geloof of uw niet geloven? Stoort het als ik even ga zitten?”

Hij klapte een stoeltje van de andere wand van de lift naar omlaag en liet zich zakken zoals alleen een oude, oververmoeide man dat kan, met een zware zucht na het neerkomen. “In zwart kostuum, zo zonder ornaat, zou u om het even wie kunnen zijn, ware het niet dat u zich de jongste maanden nogal in het nieuws hebt gewerkt,” zei ik. Hij keek me waterachtig aan en knikte. “Ik mis de schaduw,” zei hij zacht, “de lommerte van mijn studeerkamer en mijn boeken. Hoe veel kan een oude geestelijke zoals ik nog aan. Oostenrijker?” vroeg hij.

“Vlaming in Wenen,” antwoordde ik en liet me op de bodem van de lift zakken. Ik stond snel weer recht, ik wou niet moeten opkijken, daarvoor ontbrak me het respect. Toen ik na een korte stilte nogmaals op de gele knop drukte begon hij te lachen. “Maakt geen verschil, alles heeft zijn beloop, daar kan u, ja zelfs ik niets aan veranderen.”

“Het is dit ‘zelfs ik’ dat u gebruikt waarin het hele probleem gebakken zit,” zei ik, “ik hoop dat u dat begrijpt?” Hij dacht even na. “Ik voel wel dat u me niet mag, en daar hebt u waarschijnlijk alle redenen voor, maar kunnen we elkaar niet tutoyeren, de ruimte is te klein voor “u”, straks gaat de zuurstof nog uit aan “u”. Ik schreef in gedachten het woord “Paus” in mijn volgende column met een kleine “p”, die gedachte beviel me wel, ik had het eerder moeten doen. “Ik begrijp de haat, geloof me, ik begrijp de haat die ik op deze vierkante meter samen met jou moet inademen.” De paus had niet op mijn antwoord gewacht, misschien doen pausen dat niet, uit angst dat het antwoord hen niet bevalt.

“U zegt dat u de haat begrijpt,” zei ik, “waarom horen we dat dan niet? Waar blijft die verschrikkelijk luide schreeuw van verontwaardiging, de woede-uitbarsting die tot actie leidt? Waar blijft de nieuwe nederigheid, de hervorming waar de basis van de kerk om smeekt? Waar blijft een geloofwaardige volledige zuivering van het apparaat waar u aan het hoofd van staat? Waar blijft het antwoord op de vragen van de overlevers?”

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer, haalde een nicorette uit zijn vestzak en bood er mij een aan. “Ik ken het leed van de slachtoffers waarover je spreekt,” antwoordde hij en slikte wat overvloedig speeksel weg. “Dat kent u niet.” Het tutoyeren lukte me niet. “Het zijn overlevers,” zei ik, “want de slachtofferrol hebt u zichzelf toebedeeld, door te proberen uit te leggen hoe het zover is kunnen komen en daarvoor begrip te vragen, door te spreken over ‘andere tijden’, door te proberen het gewicht van de kerk te minimaliseren en te claimen dat het in gezinnen veel erger is, veel vaker voorkomt, dus dat het in uw kerk nog zo erg niet is. Door geen concrete voorstellen tot compensatie te formuleren, door het onderzoek naar alle gevallen binnen eigen commissies te organiseren, door geen openheid te geven in alle dossiers en daders op een gepaste manier uit de kerk te verwijderen.

“Ik heb met slachtoffers gepraat,” zei hij luider. “Maar hebt u er ook naar geluisterd?” vroeg ik. Hij vroeg of ik dan precies wist wat ze willen? Of ik een duidelijke lijn zag in hoe ze geholpen wilden worden? Ik nam een in vier gevouwen blad uit mijn binnenzak en gaf het hem. Hij nam een bril en begon te lezen. “Excuses van de paus als hoofd van de kerk,” en las stil verder. Dan weer luidop “Excuses van de paus als Vaticaans staatshoofd,” gevolgd door stilte, “Openbaar maken van alle dossiers,” mmm, “Kerkelijk Recht ondergeschikt…”, “Burgerlijke meldpunten onder de controle van het gerecht….”, hij las zo’n vijf minuten in stilte verder. Hij vouwde het blad zorgvuldig langs de vouwlijnen dicht en stak het in zijn binnenzak zonder te vragen. Hij vroeg zich af waarom hem niemand ooit zo’n lijst gegeven heeft. “Wanneer heeft u er dan ooit naar gevraagd?” vroeg ik.

“En aan hoeveel klachten zitten jullie ondertussen in België?” vroeg hij en stak zijn bril weg. “Volgens mijn gegevens uit alle meldpunten, ook die buiten de Commissie, aan 951,” zei ik.

“Hoe tel je?” vroeg hij.

“Correct,” zei ik. Hij keek lang in mijn ogen en boog uiteindelijk het hoofd.

De lift schoot kort omhoog. “Elk beetje beweging in deze situatie is welkom,” zei de paus. “Zo is het met alles. Weet je dat Simenon ooit met Hitler in dezelfde Parijse lift zat?” vroeg ik.

“Ik hoop dat je daar niet te veel parallellen uit trekt?”

Ik zei dat ik mezelf nooit op het niveau van Simenon zou durven inschatten, en  hoewel hij begreep wat ik bedoelde, stak hij zijn hand uit en zuchtte: “Ik moet hier eens rustig over nadenken, maar onmogelijk is jouw lijstje niet.” Ik zei dat hij dat beter niet te rustig zou doen. Dat al te veel tijd is verlopen en de situatie er niet beter op wordt.

“Na het WM,” zei hij, “na het WM, ik krijg eerder niet al mijn mensen bijeen, ik moet hen ook wat rust gunnen. Kom je op 1 oktober ook betogen op het Sint-Pietersplein?” Ik zei dat ik zeker in de buurt zou zijn. “Goed, dan zien we elkaar hopelijk nog eens.”

Toen eindelijk de liftdeuren opengingen stapte hij diep voorovergebogen de gang in. Aan deur 31 draaide hij zich kort om. Hij haalde het papier uit zijn binnenzak en stak het als afscheid in de lucht. “Wanneer verschijnt het?” riep hij.

“Hopelijk voor het WM!”

Ik liet zijn biechtstoel voor wat hij was en nam de trap naar mijn verdieping. Te veel lift in Rome is voor niemand goed!

P.S. Op 11 juni 2010 (vier dagen na het verschijnen van deze column) vroeg de paus in naam van de kerk vergiffenis voor het pedofilieschandaal tijdens een eucharistieviering in aanwezigheid van 15.000 priesters op het Sint-Pietersplein in Rome.

P.P.S. Op 28 februari 2013 trad deze paus af. In de hoop hem snel te vergeten.

Reacties uitgeschakeld voor Paus in de lift

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

De kerk en haar financiën: ook financieel schandaal bedreigt Paus Benedikt XVI

De bank van het Vaticaan, IOR, heeft rekeningen bij UniCredit Group (actief in 22 landen in Europa, wereldwijd 165.000 werknemers). In Oostenrijk bezit de groep Bank Austria. De Italiaanse maffia staat onder verdacht gelden uit ontdoken belastingen en witwasoperaties via rekeningen van de Vaticaanbank IOR (Instituto per le Opere di Religione) bij UniCredit ondergebracht te hebben.

Binnen de Italiaanse bankwereld bereidt zich een zwaar onweer voor als we Der Standard van 1 juni mogen geloven. Volgens de televisie-uitzending Reporter werden onderzoekingen uit 2006 over de weinig transparante transacties van de Vaticaanbank met de toenmalige Banca di Roma (nu UniCredit) in de kiem gesmoord. Dit werd door een ex-medewerker van die bank in een verklaring bevestigd. Reporter wordt zowat als het enige ernstige programma voor onderzoeksjournalistiek in Italië beschouwd.

Sinds meer dan 25 jaar bezit IOR een rekening bij het Banca di Roma-filiaal aan de grens tussen het Vaticaan en Italië, aan de Via della Conciliazione, waarop maandelijks transacties ter hoogte van 60 miljoen Euro verliepen. Bij de meeste van deze transacties is het niet geweten wie de titularis van de rekening is, noch wie er gebruik kan van maken. De rekeningen zouden op naam van de Vaticaanbank lopen, wat een inbreuk is tegen de Italiaanse wetgeving op witwaspraktijken.

Toen in 2006 bij een interne bankcontrole bij de Banca di Roma de verdachte IOR-rekening werd opgemerkt, zou niet alleen de bankpresident Cesare Geronzi maar ook het gerecht hiervan op de hoogte zijn gebracht. Geronzi gaf zijn vertrouwensman, Marco Simeon, die voor de relaties met het Vaticaan verantwoordelijk was, de opdracht zich met het probleem bezig te houden. Deze laatste zou erin geslaagd zijn het onderzoek naar deze affaire op een dood spoor te doen belanden.

In 2009 werd door het gerecht een nieuw onderzoek ingeleid. Het gaat om een klacht tegen onbekenden. Omdat het filiaal van UniCredit zich op Italiaanse bodem bevindt vallen de rekeningen onder de bevoegdheid van het Italiaans bankentoezicht. IOR wordt als buitenlandse bank beschouwd. Het vermoeden dat IOR als draaischijf voor het witwassen van maffiageld werd gebruikt wordt alsmaar groter. De ex-president van de IOR-bank, Kardinaal Marcinkus, heeft tot vandaag het gerecht kunnen ontlopen dank zij zijn diplomatenpaspoort. Zijn opvolger Angelo Caloia nam in de herfst van 2009 ontslag, naar aanleiding van een sterk vermoeden over zijn té enge banden met de maffia.

De journalist Gianluigi Nuzzi, beschrijft in zijn boek ‘Vaticano Spa’ (‘De BV Vaticaan’), de hooghartige houding ten aanzien van financiële ethiek. Vooral het feit dat enorme politieke omkoopbedragen door het IOR werden witgewassen en gedoneerde fondsen voor charitatieve doeleinden, of betalingen voor het opdragen van missen voor de zielenheil van de doden, door medewerkers van de bank te hooi en te gras een onwettige bestemming kregen. Volgens Philip Willan (“Geheimen van het Vaticaan: omkoping, witwassen en maffiaconnecties verschenen in juni 2009) zijn de aantijgingen van Nuzzi gebaseerd op interne documenten van het IOR, meer dan 4.000 in totaal, die door een ontevreden bankemployé uit het Vaticaan werden gesmokkeld. Volgens de Duitse financiële krant Handelsblatt is het IOR een van de meest ondoorzichtige banken ter wereld. Benieuwd of de Vaticaanse lobby er ook dit keer zal in slagen het geheim rond anonieme transacties via IOR in de doofpot te houden. Want het Vaticaan heeft zo haar eigen doofpotten, zoals we ondertussen weten. Het eigen vermogen van het Vaticaan wordt door het weekblad Der Spiegel op 1,4 miljard euro geraamd.

Reacties uitgeschakeld voor De kerk en haar financiën: ook financieel schandaal bedreigt Paus Benedikt XVI

Opgeslagen onder Essays

Onbarmhartige Samaritanen…

Ik vind de vergelijking onmenselijk cynisch en denigrerend, vooral als die komt van iemand die de situatie misbruikt. Hij noemt het een vorm van straatprostitutie, maar dan (bijna) uitsluitend door mannen bedreven.

Het zijn hoofdzakelijk Polen, Serviërs en Roemenen die van ’s morgens vroeg bij minder dan 3° Celsius verkleumd rond de bouwmarkten hangen, in de hoop letterlijk te worden opgepikt door een klant. Vijf euro per uur verdienen ze, af en toe, niet elke dag is een goede dag. Het zijn huisvaders die hun gezinnen achterlieten in hun dorpen, in de stille hoop in de ‘grote stad’ die Wenen is, in het ‘welvarende land’ dat Oostenrijk is in twee weken de 500 euro zwart te verdienen waar de familie thuis twee maanden kan mee overleven. Zwart, omdat de arbeidsvergunning ontbreekt.

Dat de Polen al heel vroeg in de morgen schnaps drinken om de kou te verdrijven stoort de Roemenen niet. Die spelen een of ander bordspel om de tijd te doden, de verveling en de kou te bekampen tot een klein busje stopt. Dan draait de bestuurder het raam rechts open, steekt eerst drie vingers in de lucht, werk voor drie mannen, dan vijf voor vijf uren werk, en dan nog eens vijf, vijf euro per uur. ‘Metsers’ roept hij.

Wie het eerst in het busje springt heeft de job. Ze rijden weg zonder te praten, zonder te weten waarheen. Misschien naar een werf in een afgelegen district van waar ze na het werk meer dan een uur moeten terug wandelen om ergens te kunnen overnachten waar niemand weet dat ze er overnachten.

Arbeidsprostitutie. Het zal wel van alle tijden zijn, het zal wel levensnoodzakelijk zijn, voor hun plezier staan deze mannen niet aan de bouwmarkt op straat, vaak dagen of weken zonder werk, wachtend op een busje en een stukje van de koek.

Dat diezelfde welstellende opdrachtgever dan ’s avonds naar huis rijdt, naar de warmte van zijn gezin, en zelf op de zwartwerkers meer heeft verdiend dan de mannen zelf, stoort hem niet. En dat hij aan tafel, met vrienden bij een glas bier oeverloos en schaamteloos zit te klagen over hoe zijn mooie land vervuild wordt door al die illegale migranten, vindt hij ook normaal.

Op kerstavond zit hij uitgedost met zijn gezin in de kerk en koopt zich via het offerblok op de kap van zijn medemens een geweten.

Reacties uitgeschakeld voor Onbarmhartige Samaritanen…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien…

Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien. De Maagd bedoel ik. Zij mij ook.

Ik was op weg naar de supermarkt, zoals meestal op vrijdagnamiddag, ingeduffeld met sjaal en warme jas, als het wintert moet een mens zich beschermen. Er ligt van alles op de loer. Een Mexicaans griepje, een sluipende etterende angina of begin van een longontsteking, verantwoordelijkheid over het eigen lichaam groeit met de leeftijd.

Ze was me niet onmiddellijk opgevallen zoals ze daar stond, wat afzijdig en beschut in de plooi van het portiek, geleund tegen de glazen wand die bij het openschuiven van de deuren een paar millimeter meegaf en trilde. Ik had haar waarschijnlijk niet onmiddellijk herkend omdat ze normaal gekleed was, niet zoals ik van Maria zou kunnen verwachten, geen edel blauw lang linnen kleed met gouden bies, geen fijne sandaal uit lichtbruin leder die een bruingebrande voet omsluit, geen ragfijne zijden sjaal gesluierd om de zwarte lokken. Het is winter!

Het was de aura die me trof. Niet het soort zwevend kransje, niet het gouden aureool, niet de suggestie van heiligheid die ik van de prentjes ken. Ze had geen aura aan de ingangsdeur van de supermarkt, ze was aura, een en al aura.

Ik schatte haar ongeveer achttien, hoewel ik weet dat verschil in leeftijd ook het inschatten ondermijnt. Een man van mijn leeftijd heeft referentiepunten, vriendinnen, dochters, vriendinnen van dochters, en peilt meer op gevoel, verstand komt op de tweede plaats. Ik vond de situatie plots wat onwennig worden, tenminste voor mij, ik was het die al meer dan een minuut naar haar stond te staren en dat is lang voor een wat oudere vent die een meisje fixeert die zijn dochter kon zijn. Hoewel zij daar geen last scheen van te hebben, haar open gezicht waarop een gladde onschuld in een warme blik gebonden lag, haar houding waaruit geen enkele verwachting sprak, de vanzelfsprekendheid waarmee ze daar in haar hoekje stond, bijna nonchalant, als ik dat woord voor een heilige mag gebruiken. Ik was de voyeur. Zij zou dat nooit kunnen zijn.

Ik stapte licht verward door de glazen deur, keek nog kort om, stak een euro in de gleuf van de inkoopwagen en opende de rits van mijn jas. De warmeluchtinstallatie  bracht me terug naar mijn inkooplijst en ik vulde snel en systematisch mijn kar, ik weet hoe de rekken van een warenhuis worden gevuld.

Het kwam aanvankelijk als een shock – ergens tussen de wasmiddelen en de luiers – te begrijpen  dat ik onbewust toch een voorstelling van Maria had voor ik haar in levende lijve tegenkwam. Ergens is een beeld binnengeslopen dat ik niet heb afgeweerd. Een beeld van de veronderstelde moeder van God, de God die zo ver weg is, de theoretische zoon waarover ik wel wil discussiëren, waarover ik alles lees wat geschreven wordt, maar ook de God die puur onderwerp is, lijdend voorwerp misschien, maar daar houdt het op. Belijdenis is voor anderen.

Maria is oké. Zij zou nog kunnen, zeker zoals ze daar stond in het portiek. Het beeld is niet onaangenaam, de jonge vrouw heeft wel wat, de aura bedoel ik, die ik vandaag heb vastgesteld.

Ik krijg de lijst niet afgewerkt. Een boodschappenlijst leest anders tijdens het winkelen dan wanneer ze wordt opgesteld. Heb ik nu echt al deze dingen nodig of kom ik nog eens langs als de nood echt hoog is? Hoeveel keukenrollen moet ik in reserve hebben, en toiletpapier gaat snel maar met minder kan het ook. Misschien gaan we morgen wel uit eten en kook ik niet wat nu in de kar geschoven wordt?

Maar vanwaar plots die twijfel? Ik twijfel zelden, toch nooit tijdens de wekelijkse inkopen op vrijdag. Doch vandaag overvalt me twijfel die ik niet anders dan met Maria in verband kan brengen.

Mariologie is niet mijn sterkste punt en toch kan ik zeggen dat ik haar ken. Anders had ik haar niet herkend. Tussen de rayon conserven en hondenvoer heb ik een vrije blik op waar ze staat. Ze heeft haar linkerbeen opgetrokken en leunt met een voet achteloos tegen de muur. Hoewel ik Maria ook nooit achteloos zou willen noemen. Een vrouw die een Jozefshuwelijk aangaat weet waar ze mee bezig is. Die heeft nagedacht, berekend of niet, maar die staat niet losjes met een opgetrokken been tegen de zijmuur van een supermarkt.

Of ze me over God mocht vertellen, vroeg ze nadat ik had afgerekend. Ze stond kaarsrecht, straalde een perfecte mond tanden bloot, ademde een rust uit die ik sinds lang niet meer kende. De lucht, de paar centimeter ruimte tussen ons vibreerde, ik kon de zware inkooptassen niet meer dragen en zette ze langzaam naast me neer. Ze zoog mijn blik en bedwelmde mijn gedachten.

“Mag ik met jou over God praten, heel even maar?”

Zong ze of praatte Maria altijd zo?

“Over jouw zoon?” vroeg ik aarzelend.

“Als je het zo wilt zien, dan vertel ik je graag over mijn zoon,” zei ze minzaam.

Waarom ze daar behoefte aan had, vroeg ik en probeerde een houding te vinden die bij de Heilige Maria past.

“Misschien heb jij daar behoefte aan,” zei ze zonder vraagteken op het einde van haar zin.

Was er iets aan mij waaruit dat bleek? Had ik vanmorgen in de spiegel iets over het hoofd gezien dat voor Maria een teken was om me aan te spreken? Misschien zag ze dat ik moe was, of dat ik de trivialiteit inzag van het winkelen op een drukke vrijdagnamiddag, maar dat is nog geen reden om met mij over God te beginnen. Of zag ze dingen die ik nog niet wist? Er zijn immers zieners, ze kijken kort diep in de pupillen van je ogen en zeggen dat je binnenkort zult sterven. Kanker of levercirrose, hartaanval of hersenbloeding, vanaf een zeker leeftijd, weet je wel?

Ik had daar alvast geen behoefte aan. Ik praat zelden over God, eigenlijk alleen als me daar naar gevraagd wordt. Zoals toen ik mijn verblijfsvergunning invulde in het overdrukke kantoor op de vijfde verdieping van het districtgebouw in Wenen en gevraagd werd alsnog mijn geloofsovertuiging in te vullen. Toen dacht ik kort aan God, heel kort, eerder om hem uit te sluiten dan als een optie.

“God is geen optie,” zei ze vriendelijk maar vastberaden.

Nee, God is geen optie, ik was verrast dat ze wist waaraan ik dacht, maar ik was het ook duidelijk met haar eens.

“Een zoon is geen optie,” ging ze door, “die wordt geboren, groeit, valt en staat op, wordt volwassen en sterft. Behalve één.”

Hoe een woord voor mensen een andere betekenis kan hebben, dacht ik terwijl ik de boodschappentassen optilde en aan haar jong gestorven zoon dacht. Ik vertelde haar hoe ik noemde, zei dat we elkaar waarschijnlijk altijd in alles anders zouden begrijpen en wenste haar een fijne avond. “Diepvriesproducten,” voegde ik er nog aan toe met mijn hoofd wijzend naar de tas in mijn linkerhand.

Ik wachtte om te zien of ze nog iets te vergeven had. Een wereldtijdschrift of daklozenblad, de Toren of een zegen, mijn zonden misschien. Ze schonk me een milde warme lach.

Toen ik me na drie onzekere stappen kort nog even omdraaide, was ze weg.

Ik stak twee straten verder de sleutel in de voordeur van mijn huis toen iemand achter me vroeg: “Heeft u misschien mijn moeder gezien?”

Ik keek geschrokken om, maar zag Niemand.

“Ze stond daarnet nog aan de supermarkt,” zei ik luid tegen Niemand en nam de lift naar boven. Toen de liftdeur in de grendel klikte en de kooi begon te stijgen, leek het alsof die nooit meer zou stoppen.

Reacties uitgeschakeld voor Ik heb vandaag de Heilige Maria gezien…

Opgeslagen onder De Standaard, Essays

De zwarte spiegel

eerder verschenen in ‘het verhalenarchief’.

 

“Moet ik mijn zoon werkelijk alles vertellen over zijn grootvader, mijn vader, over zijn enthousiasme voor het nationaal-socialistisch regime, over zijn uniform met hakenkruis? Of mag ik daarover zwijgen?”

Voor dit dilemma staat Martin Pollack in zijn bijdrage in “Die Presse” van 10 januari 2009.

Voor dit dilemma staat hij niet alleen. Die vraag stellen zich wel meer vaders, meestal voor zichzelf, dat antwoord kan een ander niet geven.

“Ik weet niet of het aan het ouder worden ligt,” schrijft Pollack, “of aan iets anders, maar ik denk de laatste jaren steeds vaker aan mijn jeugd terug.”

Ook hij denkt terug aan zijn vader die hij te kort heeft gekend, waarover hij vaag weet dat hij voor de Gestapo in Linz heeft gewerkt, in een grote villa die er vandaag nog staat.

In “zwijg als je praat”, verschenen in mei 2008 bij uitgeverij Lemmens, geeft mijn protagonist Victor een antwoord op dit dilemma. Ik ben door hetzelfde denkproces gegaan als Pollack en stelde me net als hij de vraag wat het werkelijk voor me betekent dat de vader die ik ook veel te kort heb gekend, met wie ik even weinig ben gaan wandelen, even zeldzaam gesprekken had, in 1943 naar het Oostfront is vertrokken en later als collaborateur werd veroordeeld.

“Ongetwijfeld heeft het verleden van mijn vader ook mij gevormd, mijn hele leven. Ik weet zeer goed dat ik geen alleenstaande ervaring heb, dat ik niet de uitzondering ben. Vele mensen van mijn generatie worden – de een al vroeger dan de andere – met het feit geconfronteerd dat hun vader of grootvader een dader was, met het wapen in de hand, of ergens aan een bureau met de pen in aanslag. De geliefde vader, het voorbeeld dat we in onze jeugd wilden evenaren om ooit te zijn zoals hij.”

Tijdens mijn opzoekingen ter voorbereiding van mijn roman was ik me ten volle bewust van het feit dat ik niet alleen stond, dat er nog anderen waren in mijn situatie, maar die gedachte heeft me nooit getroost. Ik werkte tenslotte alleen, net als Pollack, met mijn eigen demonen, met mijn kwellende vragen aan de vader die mijn geen antwoord meer kon geven.

“Had ik het gewaagd hem deze vragen te stellen mocht hij nog leven? Zou hij mij geantwoord hebben?” Pollack weet het niet, ik evenmin.

Wat ik weet is dat ik heel lang gezocht heb naar wat ik in mezelf van mijn vader herken. Een lange introspectieve zoektocht naar wat me werkelijk met hem verbindt, of ik denk als hij, zou beslissen zoals hij, of ik zijn bloed heb, met alles wat daar aan consequenties aan vast hangt.

“Een vader kan men niet uitzoeken zoals een stuk kleding, men kan hem verloochenen, de ogen voor de realiteit sluiten. Maar is dat de uitweg uit het dilemma? Ik denk het niet.” En dan formuleert Pollack het zo exact mogelijk als hij kan: “Ik geloof eerder dat men zijn vader precies zo moet bekijken als de geschiedenis, ook als dat een onaangenaam gevoel opwekt of zelfs pijn veroorzaakt. En zelfs dan ben ik me altijd blijven afvragen hoe het mogelijk was, dat uitgerekend mijn eigen vader, die verschrikkelijke en voor mij onbegrijpelijke weg is gewandeld. Waarom hij?”

Lag het aan de tijdsgeest? Ik heb nachtenlang wakker gelegen en mijn hersenen gemarteld over hoe een gemiddeld intelligente, gestudeerde man die net als wij geleerd heeft goed van kwaad te onderscheiden, enerzijds een liefhebbende zoon en vader kan zijn en gelijktijdig een dader, die zonder nadenken een wapen draagt, gebruikt en weer opbergt. Tot het weer morgen wordt en alles opnieuw doorgaat.

In “zwijg als je praat” verhaalt Victor het als volgt:

“Ik kan er niet bij, Lilly.”

“Vertel het me,” zei ze en ze legde haar hoofd in zijn schoot.

“Albert was zesentwintig toen hij vertrok.” 

“Ok. Ik ben zeker dat jij dat uitgerekend hebt.”

“Hoe kan iemand van die leeftijd zo gewillig zijn? Hoe kan je op die leeftijd deel willen uitmaken van een groep, meer nog een ‘troep’, mak in het gelid lopen, blind gehoorzamen? Leven en aanvaarden dat anderen bepalen hoe morgen eruit ziet?”

“Heb je de kazerne gezien? Het station?”

“Ja, en Albert is die kazerne binnengestapt en heeft zich overgeleverd! Ik kom er met mijn verstand niet bij. Hij was een volwassen man en besliste om zijn vrijheid en zelfbeschikking op te geven. Andere mannen van die leeftijd waren getrouwd en hadden twee kinderen in die tijd!”

Pollack stelt dat het niet zinloos is om in de afgrond te kijken die hem vaak als een zwarte spiegel voorkomt. Integendeel, het is een absolute noodzakelijkheid met zijn verleden, zijn totaal privaat verleden, in het reine te komen. Zonder iets mooi te praten, zonder iets te verbergen of wit te wassen.

Tijdens mijn eigen recherche kon ik de familie er niet van overtuigen hoe belangrijk deze zoektocht voor me was. Zwijgen was het motto, de herinnering aan de gekende goede kanten van de vader niet verstoren, niets oprakelen noch uitpluizen, niets dan goeds over de doden. Ik voelde me alleen met mijn verlangen te weten, te begrijpen, die man te leren kennen in die ongelooflijk desastreuze periode uit de geschiedenis.

“Dit had niets met een afrekening met mijn vader te doen,” schrijft Pollack, “maar het was noodzakelijk om mezelf te kunnen begrijpen, wie ik ben, niet in het minst in mijn verhouding tot mijn vader.”

In “zwijg als je praat” stelt de protagonist (die over het zwijgen van zijn moeder praat) het als volgt:

“Lilly, een familie zonder overlevering kan als familie niet overleven. De informatie die zij heeft is toch niet alleen van haar. Ze heeft de verdomde plicht die met ons te delen. Zoals ik de verdomde plicht heb ernaar te luisteren en die op mijn beurt door te geven.”

Vaders laten ons niet los, hoe zeer we dat ook zouden willen, ze houden ons vast omarmd, in een greep die we niet van ons kunnen afschudden. Want onze vaders zijn een onafscheidelijk deel van onszelf, we zijn door een ontelbaar aantal draden met hen verbonden. Deze vaststelling kan heel mooi zijn, maar evenzeer beangstigend en dreigend.

“Moet ik mijn zoon, die 30 is, werkelijk alles vertellen over zijn grootvader, mijn vader, over zijn enthousiasme voor het nationaal-socialistisch regime, over zijn uniform met hakenkruis op de kraag en de doodskop op de kepie…? Of moet ik mijn zoon in het ongewisse laten en hem tegen deze zwarte zijde van ons verleden beschermen?” vraagt Pollack.

Ik heb beslist het mijn zoon en dochter, beiden bijna dertig, te laten lezen.

Daarom is “zwijg als je praat” mijn antwoord op deze vraag en het antwoord is duidelijk: niets mag verzwegen of toegedekt worden, hoe onaangenaam of beschamend, vervelend of pijnlijk ook.

Het is geen veroordeling van de vader, het is een vrijspraak voor de zoon die door te weten verder kan, hoe dan ook verder moet.

Reacties uitgeschakeld voor De zwarte spiegel

Opgeslagen onder Essays