The Manual

Of hoe de katholieke kerk sinds 1983 over seksueel misbruik op de hoogte was en hoe ze daar (niet) mee omging. Schuldig verzuim.

 Begin juli 2012 werden via een van de oudste websites over seksueel misbruik, BishopAccountability.org, documenten vrijgegeven die een dieper inzicht verschaffen in hoe Amerikaanse bisschoppen, kardinalen, aartsbisschoppen en de bisschoppenconferentie al zo’n dertig jaar geleden en tot voor kort met gevallen van seksueel misbruik door priesters (niet) zijn omgegaan. Het hoofddocument, hoewel sinds zijn ontstaan wijd verspreid binnen de kerkelijke hiërarchie, bereikte nooit massaal het grote publiek. Dit destijds baanbrekend werk van drie gerenommeerde auteurs, is op zich revelerend vooral om te begrijpen hoe vroeg al ALLE Amerikaanse hoogste geestelijken op de hoogte waren van de problematiek rond pedofilie in de kerk (1985). Het meest interessante echter rond “The Manual” is vooral hoe de kerk met het document is omgegaan en het proces dat aan de verspreiding van het document is voorafgegaan.

Tom Doyle

Verhelderend daarvoor is de verklarende memo van één van de drie auteurs, specialist Canoniek Recht, Thomas Doyle. Om beter de intriges binnen de katholieke kerk te begrijpen vooraleer “The Manual” zelf te lezen, volgt hieronder de eerste en volledige vertaling van die verklarende nota. Aangezien de publicatie van deze vertaling door de auteur werd goedgekeurd, berust geen copyright op de inhoud en kan die geheel of gedeeltelijk worden verspreid, echter met vermelding van de auteur en de vertaler. De nota vraagt geen verdere uitleg. De aandachtige en geïnteresseerde lezer zal zelf de waarde en het belang ervan weten te schatten.

De korte geschiedenis van “The Manual”

“The Manual” zoals hij vrij algemeen wordt genoemd, was vooral het werk van drie mensen: Fr. Michael Peterson M.D., oprichter en directeur van het St. Luke Institute in Suitland, Maryland, Mr. F. Ray Mouton, J.D., advocaat burgerlijk recht uit Lafayette in Louisiana, en Fr. Thomas Doyle, O.P., secretaris-canonist van de Apostolische Delegatie, later gekend als de Apostolische Nuntiatuur in Washington D.C.

Ray Mouton

“The Manual” bestond in zijn originele vorm uit zowat 100 pagina’s tekst, geschreven door Mouton , Peterson en Doyle. Hij behandelde uiteenlopende aspecten van de medische, burgerrechtelijke, canonieke, verzekeringstechnische en pastorale facetten van het probleem van pedofilie. Fr. Peterson voegde aan het document meerdere klinische bijdragen toe over soorten pedofilie, behandelingsmethodes, mogelijkheid tot genezing, enz.

Hoewel “The Manual” als een strikt vertrouwelijk document was gepland, werd het in de kortste tijd alles behalve dat. Het werd uitvoerig gekopieerd en verspreid binnen de V.S. zowel als in nogal wat andere landen.

“The Manual” kwam er niet in opdracht noch op vraag van wie dan ook, in welke functie dan ook, officieel of onofficieel. Het was een totaal private aangelegenheid, opgestart door de drie eerder vermelde personen, als reactie op wat – volgens hun overtuiging – een zich snel ontwikkelend en ernstig te nemen probleem zou worden binnen de katholieke kerk.

De zaak rond Fr. Gilbert Gauthe uit Lafayette (Los Angeles) werd publiek in de late herfst van 1984. Gilbert Gauthe werd geconfronteerd met uiterst zware criminele aanklachten en het bisdom schakelde Mr. Mouton in als verdediger.

Gilbert Gauthe

Een burgerlijke klacht was al ingediend door een van de families (Glen en Faye Gastal), wiens zoon door Gilbert Gauthe werd misbruikt. De idee om een soort instrument te ontwikkelen om met gevallen van pedofilie binnen de kerk om te gaan ontstond in januari 1985 tijdens een meeting waar Doyle, Mouton en Peterson samen zaten.

Mouton was in Washington om met Peterson de mogelijkheid te bespreken om Gilbert Gauthe naar het St. Luke Instituut te sturen voor evaluatie en eventuele behandeling. Peterson was oprichter en directeur van het instituut, een gezondheidsinstelling voor priesters en religieuzen. Doyle had Mouton en Peterson met elkaar in contact gebracht. Mouton en Doyle hadden elkaar nog nooit ontmoet, Peterson en Doyle waren vrienden en medewerkers. Doyle was destijds kerkelijk jurist aan de Vaticaanse Ambassade en verantwoordelijk voor het monitoren van de briefwisseling over de zaak Gilbert Gauthe.

Kort na Nieuwjaar (1985) informeerde Peterson Doyle dat Mouton naar Washington zou komen om de situatie rond Gilbert Gauthe te bespreken. Een dag later vond Peterson het belangrijk en dringend dat Doyle met Mouton van gedachten zou wisselen. Er werd een ontmoeting gepland in het Dominikanerhuis en niet in de Nuntiatuur. Mouton gaf te verstaan dat er nog meer priesters waren in Lafayette die betrokken waren bij seksueel misbruik van kinderen en dat het bisdom die gevallen toedekte en dus de kansen op een goede verdediging van Gilbert Gauthe in gevaar was. Hij hoopte immers op een vergelijk met de rechtbank om Gilbert Gauthe te laten opnemen in een hospitaal of hem onder te brengen in een veilige omgeving waar hij behandeld zou kunnen worden voor zijn probleem.

De ontdekking dat ook andere priesters betrokken waren maakte deze strategie onwerkbaar omdat het Openbaar Ministerie, Nathan Stansbury, de zaak van Gilbert Gauthe niet lichtvaardig zou opnemen. Tijdens dit gesprek gaf Peterson te verstaan dat hij via vertrouwelijke bronnen op de hoogte was van het feit dat nogal wat priesters over het hele land zich schuldig hadden gemaakt aan seksueel misbruik.

Doyle bracht aartsbisschop Laghi (foto rechts) over de ernst van de situatie op de hoogte. Een paar dagen later had Peterson een gesprek met Laghi. De aartsbisschop nam contact op met collega aartsbisschop Hannan van New Orleans en informeerde hem dat een vergadering werd belegd in Washington waar bisschop Fray, aartsbisschop Hannan, hun advocaten, Peterson en Doyle aanwezig zouden zijn. Doel van de vergadering was om de misbruikaffaires van de andere priesters uit te klaren. De meeting vond plaats op 8 februari in een hotel in Arlington. Naar aanleiding van deze samenkomst, en na verdere gesprekken met Mouton en Peterson, stelde Doyle aartsbisschop Laghi voor een bisschop af te vaardigen om naar Lafayette te gaan om te helpen bij het behandelen van de crisis. Doyle stelde bisschop Quin voor, hulpbisschop van Cleveland wegens zijn juridische achtergrond. Laghi stemde in en de gepaste communicatie werd gevoerd met de Heilige Stoel om de aanstelling goedgekeurd te krijgen.

Zowel Doyle als Mouton en Peterson waren ervan overtuigd dat nu de Gilbert Gauthe-zaak openbaar geworden was en de persaandacht zich van kust tot kust had verspreid, de hele affaire niet langer door kerkoversten kon gemanaged worden. Ze waren ondertussen immers op de hoogte van heel wat andere gevallen van seksueel misbruik, verspreid over het hele land.

Bovendien startte een familie voor het eerst een rechtszaak op tegen het bisdom (Gastal vs. Lafayette) wegens schuldig verzuim in de misbruikzaak van Gilbert Gauthe. Toen de rechtszaak werd aangespannen, nam de openbare aanklager de bewijzen ernstig en dagvaardde.

Over Gilbert Gauthe werden inderdaad feiten gerapporteerd aan de bisschop, meerdere malen zelfs sinds 1972, en het was sindsdien duidelijk dat hij meerdere slachtoffers had gemaakt. Allen minderjarig, behalve één. Hij zou uiteindelijk schuldig pleiten voor 39 gevallen en tot twee jaar cel worden veroordeeld.

De drie hebben dan besloten om te proberen een document op te stellen dat bisschoppen zou kunnen helpen om met nieuwe aanklachten om te gaan die volgens hen niet lang op zich zouden laten wachten. Ze bespraken diverse invalshoeken met verscheidene mensen, waaronder nogal wat bisschoppen die de idee genegen waren. Zo hadden ze meerdere gesprekken met bisschop Quin, die voorstelde om wat ze dan ook zouden redigeren, in het formaat van vraag en antwoord te gieten. Vragen die zo veel mogelijke aspecten en facetten zouden weerspiegelen die het onderwerp zou toelaten. Zo beslisten de drie auteurs heel snel om alle mogelijke informatie te verzamelen en een handleiding of boek samen te stellen in de vorm van vraag en antwoord. De afgewerkte uitgave zou tevens kopieën moeten bevatten van medische artikels over pedofilie, geput uit medische publicaties, waarvan vele bijdragen kwamen van de hand van Dr. Fred Berlin van het hospitaal van de John Hopkins Universiteit, afdeling seksueel afwijkend gedrag.

Ze stelden, naast “The Manual”, ook voor dat de Amerikaanse Nationale Bisschoppenconferentie een comité zou sponsoren dat de supervisie zou nemen over gedetailleerd onderzoek over de meest uiteenlopende aspecten van het probleem: burgerrechtelijk en strafrechtelijke, verzekering, kerkelijk recht, medische aspecten, pastorale aspecten. De onderzoeksresultaten zouden ter beschikking worden gesteld van de bisschoppen zodat ze verregaande duidelijke beslissingen zouden kunnen nemen rond de hele problematiek. Het derde deel van hun voorstel betrof een Crisis Interventie Team, samengesteld uit specialisten (juridisch, medisch, en kerkelijk recht), dat ter beschikking zou staan van welke bisschop dan ook die hun diensten zou kunnen inschakelen voor specifieke en nieuwe gevallen.

Een belangrijk aspect van “The Manual” was een methode om op een uniforme manier aan case-management te kunnen doen. Enkele maanden nadat de Gilbert Gauthe-zaak was losgebarsten, zo tegen midden 1985, liepen al ettelijke processen bij de rechtbanken waarbij zowel priesters als bisschoppen waren betrokken. Sindsdien zijn het er honderden. Er was en is nog steeds geen uniform systeem waardoor het overzicht ontbreekt met betrekking tot jurisprudentie, schadevergoeding, juridische strategieën enz.

Het oorspronkelijke idee voor een Crisis Interventie Team kwam van Ray Mouton. Het voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie kwam van Doyle en werd onmiddellijk door Mouton en Peterson gesteund. Het conceptvoorstel werd aan aartsbisschop Laghi voorgelegd. Doyle hield hem dagelijks over het verloop ervan op de hoogte.

De drie auteurs wilden dus een handleiding samenstellen die aan de bisschoppenconferentie zou overhandigd worden in de hoop dat van daaruit actie zou ondernomen worden. Ze schreven de handleiding zonder opdracht noch financiële compensatie van wie dan ook. Terwijl de eerste ontwerpen werden geschreven sprak Doyle informeel met de ambassadeur van het Vaticaan (Aartsbisschop Pio Laghi) en een reeks bisschoppen en kardinalen over het project. Allen ondersteunden het initiatief. Deze steun ging ook naar de research en het voorstel van een Crisis Interventie Team. Via zijn gesprekken werd het Doyle duidelijk dat ze zeker gealarmeerd waren door de feiten en zich zorgen maakten over de hele problematiek.

Krol Kardy

In mei belde Fr. Peterson naar kardinaal Krol  met de vraag tot een privégesprek.  Deze meeting werd georganiseerd en had plaats in het kantoor van de directeur van de “National Shrine” in april 1985. Kort voor de meeting bezorgde Doyle de kardinaal een ontwerp van het kerkrechtelijk luik van het document dat hij had uitgewerkt. De kardinaal sprak zich tijdens de meeting lovend uit over de ontwerptekst en beloofde ondersteuning voor het hele project. Hij zei dat hij met kardinaal Law en bisschop Quin zou praten. Op 11, 13 en 29 juni schreef hij Doyle over zijn gedane inspanningen om het project te ondersteunen.

Kardinaal Law (Boston) zou ervoor zorgen dat het project de bisschoppenconferentie zou bereiken waar een speciaal ad hoc team binnen zijn eigen comité “research en pastorale gebruiken” zou worden opgericht.

De finale ontwerptekst was rond op 14 mei 1985. Nog diezelfde maand ontmoeten de drie auteurs aartsbisschop Levada, secretaris van kardinaal Law’s comité. Hij sprak zich positief uit over het verloop. Kort daarna echter belde hij Doyle om te melden dat het project geannuleerd werd omdat een ander comité van de bisschoppenconferentie zich met de materie zou bezig houden en dat 2 parallelle comités naar de buitenwereld een verkeerd signaal zou geven. Er werd noch aan Doyle, noch aan iemand anders enige verder commentaar gegeven. Informeel kreeg Doyle te horen dat het comité van de bisschoppenconferentie “Priestly life”, zich met de problematiek zou bezighouden, waarna hij over verdere stappen of initiatieven niets meer over hoorde of las.

De drie auteurs gingen niettemin met hun werkzaamheden door en namen contact met hulpbisschop Quin van Cleveland (toen een actieve steun) die verscheidene kopieën van “The Manual” zou meenemen naar de juni meeting van de bisschoppenconferentie in Collegeville in Maine. Dit deed hij ook effectief. De voorzitter van de bisschoppenconferentie liet na een “executive meeting” waarop gesproken werd over pedofiele priesters weten dat een comité werd opgericht om aan het probleem te werken, aangevoerd door bisschop-op-rust Murphy van Erie (Pennsylvania). Tijdens de gesloten vergadering werden drie punten besproken. Een aangebracht door Wilfred Caron (burgerlijk recht), een door bisschop Kenneth Angell en een laatste door Dr. Richard Issel (psycholoog). De bisschoppen rapporteerden aan de gesloten vergadering dat de psycholoog uitstekend was en de juristen minder dan middelmatig. Dit werd Doyle schriftelijk bevestigd door kardinaal Krol in een persoonlijke brief.

Later, in juni, vernam Doyle van bisschop Bevilacqua van Pittsburg (nu kardinaal van Philadelphia) dat in werkelijkheid geen nieuw comité werd opgericht en verder geen stappen werden ondernomen noch gepland. De aankondiging van het comité bleek niets meer dan een pr-stunt. Doyle heeft verder over het comité “Priestly life” nooit nog iets gehoord of gelezen.

Bisschop Malone vermelde nochtans specifiek tijdens een persconferentie dat dergelijk comité werd opgericht. In een officiële verklaring uit 1993, afgeleverd door Sr. Evart, secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie werd opgetekend dat het eerste en enige comité dat ooit werd opgericht en waarvan bisschop Kinney aan het hoofd stond, dateert uit 1993!

Over “The Manual” hoorden de drie auteurs niets meer. Ze wisten niet wat ermee gebeurde binnen de bisschoppenconferentie. Sommige bronnen bevestigden dat “The Manual” nooit ernstig werd voorgesteld als werkmiddel door de conferentie. Het bestaan ervan was echter genoegzaam bekend. De auteurs werden echter nooit op de hoogte gebracht van de gevolgde interne procedure binnen de bisschoppenconferentie, noch kregen ze bevestiging dat er hoe dan ook een interne procedure zou bestaan. Jaren later, nadat “The Manual” bekend werd bij advocaten en journalisten zouden deze laatste regelmatig bisschoppen en andere leden van de conferentie vragen of ze over het bestaan ervan op de hoogte waren, en indien ja, waarom nooit enige actie werd ondernomen, zomin vroeger als vandaag. Deze vragen lokten de meest uiteenlopende antwoorden uit, waarvan geen enkel antwoord de waarheid accuraat weergeeft.

Het algemene antwoord van de bisschoppenconferentie, meestal geformuleerd door Mark Chopko, woordvoerder van de conferentie, was dat de bisschoppenconferentie alles al wist en kende wat in “The Manual” stond, alle gepaste acties werden ondernomen en het pleidooi voor een speciaal comité en een ad hoc team van experts ongepast was. Hij voegde eraan toe dat de bisschoppenconferentie geen andere bisdommen tot iets kon verplichten, dat het allemaal te duur zou zijn, dat de drie auteurs erop uit waren zichzelf te promoten bij bisschoppen en zo probeerden geld te verdienen aan de hele problematiek. Hij zei ook problemen te hebben met de inhoud van het document.

Doyle is ervan overtuigd dat de initiële motivering voor het samenstellen van “The Manual” en het voorstellen van actiepunten verkeerd begrepen werd, of misschien wel begrepen maar opzettelijk foutief werd uitgelegd door de leden van de bisschoppenconferentie die niet ophielden ondermijnende opmerkingen te formuleren over het hele project om zo de eigen verantwoordelijkheid te verleggen naar anderen. Of minstens een soort excuus was voor het niet ondernemen van enig initiatief nadat expliciet gewaarschuwd werd over het probleem, de omvang ervan en de mogelijke gevolgen.

Sindsdien (1985 tot vandaag) was er geen enkel contact tussen de bisschoppenconferentie en de drie auteurs.

In december 1985 werd een exemplaar van “The Manual” verstuurd naar elke bisschop in de V.S. vanuit het St. Luke Institute. Niemand reageerde. Sommige bisschoppen, ernaar gevraagd door journalisten, zeiden dat zij het document nuttig vonden. De bisschoppenconferentie zelf echter heeft het bestaan van “The Manual” nooit erkend noch heeft ze ooit contact opgenomen met een van de drie auteurs, ook niet na meetings die erover plaats vonden binnen de conferentie.

In oktober 1992 ontving Doyle welgeteld 1 brief als antwoord op zijn schrijven aan de voorzitter, nadat de eerste “VOCAL”-conferentie plaatsvond met slachtoffers van seksueel misbruik in Chicago.

Minstens vijf tot zes maal besprak de bisschoppenconferentie het probleem in plenaire zitting, de eerste in juni 1985. Sprekers toen waren o.a. een psycholoog (Dr. Richard Issell uit Chicago), een jurist (Wilfred Caron) en een bisschop (Kenneth Angell uit Providence, R.I.). De bisschoppenconferentie publiceerde tevens minstens vijf verscheidene standpunten over het onderwerp en verstuurde meerdere memo’s aan alle bisschoppen.

De voorstellen uit 1985 omtrent een onderzoekscomité en een Crisis Interventie Team raakten nergens. Het was pas acht jaar later, in oktober 1993 dat de bisschoppenconferentie een comité oprichtte, voorgezeten door bisschop John Kinney van Bismarck, om het probleem te bestuderen. Er vonden enkele samenkomsten plaats maar meer dan een rapport kwam er nooit uit voort.

Het hoofdstuk kerkelijk recht uit “The Manual” werd in de zomer van 1985 door Doyle nog aangepast om beter de stelling te onderbouwen dat de algemene regel destijds niet was om priester/daders kerkrechterlijk te schorsen, maar ze op administratief verlof te sturen.

Reacties staat uit voor The Manual

Opgeslagen onder Essays

Reacties zijn gesloten.